Wim Haagen

kunstschilder, lid verzet

Amsterdam, 10 april 1910

† kamp Langenstein - Zwieberge, Duitsland 28 maart 1945

Op 4 mei denk ik niet alleen aan al diegenen van het Oude Volk die in de Tweede Wereldoorlog het leven lieten. Ik denk ook aan hen die zich met gevaar voor eigen leven inzetten, om een enkeling te redden. En ook denk ik aan die moeders, vaders, broers en zussen, echtgenoten en kinderen die tevergeefs wachtten; voor wie de bevrijding nooit helemaal een echte bevrijding werd omdat de prijs zo hoog was! 


 

Als ik denk aan de 4 mei herdenking, denk ik aan die oom die ik nooit heb gekend, maar ook aan zijn broer - mijn vader - die hem zijn leven lang zo gemist heeft. Ons als kleine kinderen meenam naar honderden verzetsmonumenten en talloze erebegraafplaatsen in Nederland, België en Duitsland. Ons alles vertelde over de verdwenen Joden uit Amsterdam. Elke expositie en elk museum werd bezocht. Elk gezaghebbend boek betreffende die oorlogsjaren kreeg een plaatsje in onze boekenkast. Hield hij zo de herinnering aan zijn broer levend? Echt over hem praten kon hij niet!

Zijn verdriet droeg hij over, vandaar mijn speurtocht naar mijn onbekende oom en daaruit volgend zijn lots– en stadsgenoten. Om een beetje te begrijpen hoe het zat, hoe het was, hoe het voelde. Om het levensverhaal van mijn oom - en zijdelings - dat van zijn broer en zus, te bewaren voor de kinderen van hun kinderen, opdat zij weten en niet vergeten dat de prijs van die toen bevochten vrijheid hoog, héél hoog was. En hoe makkelijk de Holocaust ook ons had kunnen raken, maar het net niet deed dankzij een menselijke vergissing of was het zo voorbestemd? Voor die kinderen is dus dit verhaal over mijn onbekende oom, die stierf in dat onbekende concentratiekamp Langenstein - Zwieberge.

Kinderjaren
Oom Wim was de oudste en tevens het artistieke buitenbeentje in het middenstandsgezin met drie kinderen. Hij werd geboren op 30 april 1910 in de van Ostadestraat 93. Vader was oorspronkelijk kleermaker maar verdiende toen de kost als chocolatier, later kruidenier, waar hij was ingerold via z'n vrouw Lena. Haar vader was jong overleden en haar moeder had een kruidenierswinkel in de Nieuwe Spiegelstraat 25.

Na Wim volgden in 1911 nog een broertje Leo en in 1912 zusje Doortje. Hij groeide op in de Kerkstraat 52, alwaar vader en moeder samen een goedlopende chocolaterie annex kruidenierszaak dreven, met veel klandizie van het publiek op weg naar theater Carré. Die er zoals toen gebruikelijk, een onsje bonbons kochten, om van te smikkelen tijdens de voorstelling. Moeder Lena oefende hier ook haar oude beroep als fijnstrijkster uit. De clientèle was hetzelfde uitgaanspubliek.

Hoewel vader van Hervormde huize kwam, was het gezin katholiek en kerkten in de Heilige Catharinakerk en gingen Wim, Leo en Doortje naar katholieke scholen. Zowel Wim als Leo waren enige tijd misdienaar. Opoe [moeders moeder] woonde vanaf begin augustus 1912 vijf jaar bij hen in huis. Ze was een gezellige hulp en een echte oma voor de kleinkinderen, maar verhuisde in juni 1917 naar het Begijnhof. Oom Eugène, moeders broer, had een kruidenierszaak in de Brederodestraat 56. Diens oudste zoon was twee weken jonger dan Wim en een speelkameraadje. Overigens telde dat gezin elf kinderen, drie stierven als baby en neven Eugène als 9-jarige [in 1923] en Andreas als 21-jarige begin oktober 1941. De overige neefjes en nichtjes waren veel jonger en daardoor minder interessant voor Wim. Datzelfde gold de familie van vaders kant. Daar waren er slechts tante Bets met haar veel jongere en ziekelijke tweeling, de kinderloze ome Piet, belastingambtenaar in Haarlem, ome Freek, coupeur, die eerst in Berlijn en sinds 1923 in Den Haag woonde en de ongetrouwde, maar betrokken tante Alida, telefoniste bij de Gemeente. Opa Freek Haagen, zelfstandig coupeur van beroep, stierf toen Wim bijna zeven was en opoe op het Begijnhof, toen hij elf was. Geen echt grote gezellige Amsterdamse familie dus.

In de zomers huurden z'n ouders wel eens een strandhuisje in Zandvoort of IJmuiden en wandelden ze naar het 'Muider soppie'. Beide broers, Wim en Leo waren zeer sportief, deden aan lange afstand hardlopen en leerden in de strenge winters al snel schaatsen en reden lange tochten, maar waren ook bedreven in het gemengd kunstschaatsen waarbij ze de mooiste figuren reden en al jong meisjes versierden bij de koek-en-sopie. Eens, al schaatsend in een lint, riep de voorste van hun vrienden bij het naderen van een lage brug: bukken!!! Wim was druk met een meisje en hoorde de waarschuwing niet. Gevolg, hij knalde met z'n voorhoofd tegen de brugrand en de ijspret was voor hem voorlopig over.

Gedurende de eerste Wereldoorlog werd er in de Gemeenteraad van Amsterdam gesproken over plannen om de huizen in de Kerkstraat plat te gooien en nieuwbouw te plegen.
Vader, Jan Willem, kreeg hiervan de 'bibberaties' en dacht er goed aan te doen, tijdig hun succesvolle chocolaterie in te ruilen voor een kruidenierszaak in de zojuist opgeleverde nieuwbouwwijk, nu Museumbuurt of Oud-Zuid genoemd. Alle nieuwbouwplannen voor de Kerkstraat zijn nooit gerealiseerd en de lang gerekte straat ligt er ook nu nog hetzelfde bij als 100 jaar geleden.

Z'n ouders kozen voor de Ruysdaelstraat 116 en verhuisden op donderdag 17 juni 1920. Het gezin woonde er bovenop elkaar achter de kruidenierswinkel. Beide broertjes deelden hun opklapbed, Leo groeide in de kleding van Wim, die weer gemaakt was uit oude 'gekeerde' kleding van vader. Dit waren financieel zware tijden! Veel inwoners uit deze relatief dure nieuwbouw huurwoningen leefden boven hun stand en er werd veel op de pof gekocht. Vader Jan Willem was niet zakelijk genoeg en moeder Lena moest zeer regelmatig achter het geld aan, met alle ellende van dien. Klanten met hoog opgelopen schulden, bleven in gebreke en veranderden plots van kruidenier! Werd er hen daar ook niets meer geleverd, dan probeerden ze 't nog eens bij de goeiige Jan Willem, die geen nee kon verkopen!

Tegelijkertijd ontstonden de eerste supermarkten zoals 'de Gruijter'. Door de grotere inkoop konden deze winkels de kruidenierswaren goedkoper aanbieden dan Jan Willem ze kon inkopen. De kinderen werden er dan ook vaak op uitgestuurd om inkopen te doen bij de Gruijter of Simon de Wit. Deze 'losse' waren zoals bonen, rijst en ongepelde pinda's werden dan weer in hun winkeltje duurder verkocht!
Had één van de kinderen echt nieuwe schoenen nodig, dan haalde Lena het benodigde bedrag stiekem uit de kassa, de onzakelijke maar zéér zuinige Jan Willem heeft er nooit iets van gemerkt.
In dezelfde tijd werd moeder Lena ernstig ziek, borstkanker was de diagnose, gevolgd door een pijnlijk en langdurig ziekbed. Wim was toen negen jaar oud!
 
Wim bleek al vroeg aanleg voor tekenen te hebben, echter daar zagen z'n middenstandsouders ‘geen brood' in. En naar school gaan en doorleren vond Wim niet leuk, in tegenstelling tot broertje Leo die naar het gymnasium ging. Op z'n veertiende regelde vader voor Wim een baantje als timmermansleerling. Hij bleek technisch ingesteld - wat zijn ogen zagen, maakten z'n handen - en werd later meubelmaker. Tekenen en schetsen bleef echter z'n passie.

De links geëngageerde kunstenaar
Wim was samen met z’n broer (die Nederlands had willen studeren, maar na moeders dood door vader als kappersleerling werd ‘verhuurd’) enige tijd lid van de Arbeiders Jeugd Centrale [AJC] waar ze kennis maakten met een andere visie op het leven. Ze leerden samen schaken en discussieerden over zichzelf, de tijd en de maatschappij en uiteraard werden ze geïnfecteerd met het socialistische gedachtegoed.
Hoewel beide broers in hun jongensjaren een knokpartijtje, van straat tegen straat of school tegen school, bepaald niet uit de weg waren gegaan en ook de militaire dienstplicht hen niet echt had tegen gestaan, voelden zij zich toch aangetrokken tot de beweging van het ‘gebroken geweertje’. De toenmalige vredesbeweging, die het praktisch pacifisme predikte en gekoppeld was aan het socialisme. Heel wat ‘vredesmensen’ zouden een paar jaar later makkelijk hun weg naar het verzet vinden, meestal in geweldloze verzetsgroepen.

Ook gingen beide broers naar lezingen en bijeenkomsten van bekende geëngageerde kunstenaars en schrijvers zoals Richard Roland Holst, Frederik van Eeden en Herman Gorter. Het was ook in deze tijd dat Wim zijn eerste serieuze stappen zette op teken- en schildersgebied.

De autodidact 
Als jongen was Wim er met zijn schetsboek, veldezel en schilderskistje al vaak op uit getrokken om te tekenen en te schilderen. De natuur begon toen nog vlakbij de nog onbebouwde opgespoten zandvlaktes van hun buurt in Amsterdam-Zuid. Tegen de zin van vader, die immers niets zag in de toekomstplannen van zijn zoon als kunstschilder. 
Toen Wim 19 jaar was, stierf moeder na een jarenlang en vreselijk ziekbed. Wim zat toen in militaire dienst en maakte zich daarna los van vader, om vervolgens enige tijd rond te zwerven in het Gooi en de Veluwe. Hij werkte vervolgens als magazijnbediende en grossier in koloniale waren maar bleef in z'n hart toch bovenal tekenaar en kunstschilder.
                                                                               
Een academie heeft hij nooit bezocht; het schilderen leerde hij door veel te kijken naar - en te werken met andere kunstenaars. Via de tentoonstelling in het Stedelijk Museum in 1930 ‘Socialistische Kunst Heden’ raakte hij o.a. in contact met beeldend kunstenaar Peter Alma, mede organisator van de expositie. Dankzij diens kennis en contacten ontwikkelde Wim een brede belangstelling voor de beeldende kunst. In dezelfde tijdsspanne ontmoette Wim ook andere opkomende jonge schilders bij de Amsterdamse kunsthandel Buffa. Wim raakte geïnspireerd door hun kleurgebruik.




Hij schilderde vooral naturalistische - met elementen uit het expressionisme - stadsgezichten, landschappen en handarbeiders. Zijn werk kenmerkte zich overwegend door opvallend kleurgebruik en kan gezien worden als gevolg van zijn temperament, zijn levensdrift, zijn liefde voor het leven dat hij met optimisme bezag. Ook experimenteerde hij met aquarellen, lithografie, etsen en vooral houtsnijden. Het laatste voornamelijk in de vorm van ex librissen [eigendomskenmerk (een plaatje) dat door de eigenaar voorin een boek werd geplakt] die goed verkochten. Om verder in zijn onderhoud te voorzien schilderde Wim ook reclame uitingen op vensters en borden voor de plaatselijke middenstand.

Nadat eerst Leo en een jaar later zuster Doortje met een zus en broer ‘de Vink' getrouwd was, kreeg Wim verkering met zijn schoonzuster Tonnie de Vink. Op 8 februari 1935 vertrok hij samen met haar, ongehuwd, naar het schildersdorp Laren en huurde daar als beginnend kunstschilder een boerderijachtig huisje in de Kloosterstraat 6.

Onder druk van vooroorlogse fatsoensregels en familie trouwde hij, 25 jaar oud, op woensdag 17 juli 1935 in Laren met Tonnie en anderhalf jaar later lag er een zoon in de wieg. Uiteraard had Wim het geboortekaartje zelf gemaakt.

Wim moest z'n plek in het schildersmilieu nog veroveren en werd zo, volgens de verhalen de eerste "werkeloze" steuntrekker van Laren. Dat zijn kunstenaarcarrière niet vlotte lag deels ook aan het feit dat Nederland's economie in het slop geraakt was. Het waren de beruchte crisisjaren!
Tonnie had een zwakke gezondheid en kon Wims' tempo, temperament en levensdrift niet bijhouden. Het huwelijk liep stuk, evenals een jaar eerder dat van broer Leo. En Wim keerde op 4 april 1939 al terug naar Amsterdam, alwaar hij een etage in de Quellijnstraat 108 / 2 hoog betrok.

De Raden-communist
Beide gescheiden broers trokken toen weer meer met elkaar op. Leo nam hem mee naar links-communistische en anarchistische bijeenkomsten, die hem als kunstenaar wel aantrokken, maar Wim raakte nooit zo bewogen als zijn broer. De discussies en lezingen waren hem te saai en te abstract! Wel was hij te porren voor het verven van opruiende leuzen op openbare gebouwen. Zoals, vlak voor de verkiezingen was hij samen met Leo en hun kameraden begonnen met het bekladden, met witkalk, van de leuze: "Stem Sneevliet" op zo'n hoge ronde fabrieksschoorsteen. Ze waren met te grote letters begonnen en kwamen onderaan niet uit. De laatste letters kalkten ze toen maar op de grond verder... Geen geslaagde actie, wel veel lol!

Wim en Leo bleven betrokken bij het Radencommunisme, hetwelk toen beschouwd werd als een staatsvijandelijke links-extremistische groepering, welke in de gaten gehouden diende te worden. In het archief van de voormalige Centrale Inlichtingen Dienst (CID, later BVD, sinds 2002 AIVD) vinden we Leo als 22-jarige reeds vermeld als Anarchist en actief lid van de Vereeniging voor Sociaal Anarchistische Actie (SAA). Wim wordt daarin niet vermeld, hij was meer een man van de daad.
 
De CID was in die vooroorlogse periode gecombineerd met de militaire inlichtingendienst. De Duitse inval in de meidagen van 1940 maakte een einde aan het bestaan van de CID. De overheid meldt dat de archieven van de dienst verbrand werden, om ze niet in handen van de Duitsers te laten vallen.
Echter over de jaren 1919-1939 zijn Geheime CID rapportages van honderden personen bewaard gebleven, compleet met voor- en toenamen, geboortedata en woonplaatsen, hun onderlinge verbanden en hun ‘extremistische’ activiteiten. 
 

Beiden kwamen over de vloer bij Henk Canne Meijer, oprichter van de Groep van Internationale Communisten [GIC], David Wijnkoop, Ben Sijes en zelfs bij Rik en Henriëtte Roland Holst. Waar ze overigens nooit aan tafel werden genodigd om een hapje mee te eten van de karige maaltijden. Ze mochten letterlijk staan toekijken. De vernoeming van hun kinderen zijn desondanks overduidelijk aan hen gerelateerd.

Het ideaal van de GIC was een geheel door arbeidersraden bestuurde maatschappij, waarbij de arbeidersklasse zichzelf bewust diende te worden van de noodzaak het kapitalisme te overwinnen. De GIC hield zich vooral bezig met de wijze waarop de communistische maatschappij ingericht zou moeten worden, uitgaande van de gedachte dat de arbeiders volledig dienden te beschikken over hun arbeidskracht, de productie en distributie.

De leden - aanhangers
- waaronder Wim en Leo, werden niet geacht acties te organiseren. Zij namen wel deel aan straatdiscussies en colporteerden tijdens de crisisjaren '30 vooral bij stempellokalen voor werklozen, met het blad Proletenstemmen.

Wim en Leo waren ook regelmatig te vinden in een bezet pand aan de Amsteldijk waar de groep rond het blad 'Proletenstemmen' bijeen kwam, in het vergaderlokaal van de Sneevliet-groep, de RSAP (de Trotzkistische Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij) in de Barndesteeg, in het Erich Mühsamhuis van de anarchisten in de Turfsteeg en het Rothaanhuis aan de Rozengracht waar, zoals bij spreekbeurten de gemoederen soms zo verhit raakten dat de mensen elkaar met stoelen te lijf gingen.

Wims hobby's
Wim was geen intellectueel maar wel intelligent en behalve een sociaal bewogen, ook een zéér sportief man. Zo was hij in zijn vrije tijd een fervent en uitstekend kanovaarder
- werd zelfs Noord-Hollands kampioen - bouwde zelf rondspan kano's en voer daarmee door Neerlands wateren. 
Ook was hij amateur geoloog, een hobby die hij opnieuw deelde met zijn broer. Ze hielden zich bezig met zoeken, verzamelen, determineren en bestuderen van hun vondsten. Hiervoor reisden ze door het hele land, onderweg kampeer
den ze met inventieve zelfgebouwde opvouwbare kooktoestelletjes. De broers gingen op speurtocht op de hei in Drente waar ze vuursteen bijlen vonden en in de Limburgse mergelgrotten waar ze diverse mooie fossielen uithakten. Wim was gek op z’n zoontje Roland en nam hem van jongs af aan vaak mee op deze avontuurlijke tochten.

Wim was ook een vrouwenman, charmant en liefdevol, maar ook een vlotte versierder, overigens in alle openheid. Vele vriendinnen kruisten zijn pad.
Hij was dol op zijn zusje Doortje en zij op hem. Ze kwamen dan ook veel bij elkaar over de vloer en Wim deed haar een aantal van zijn schilderijen cadeau en schreef á la minute
een zelf bedacht versje in het Poëzie album van Doortje’s dochter Elsje. 


In het eerste oorlogsjaar zou Wim een etage boven z'n ex-schoonouders betrokken hebben, in de 2e J. van Campenstraat 110 / 3 hoog, maar hier woonde ex-vrouw Tonnie met de kleine Roland.

Op 2 november 1940 werd de invoering van het persoonsbewijs [PB] officieel bekendgemaakt door de bezetter. De daadwerkelijke uitreiking vond vanaf april 1941 plaats. In 1941, week 19, was het Polygoonjournaal gewijd aan de uitgifte van de eerste persoonsbewijzen. Nergens in Europa, ook niet in Duitsland, bestond toen een identiteitsbewijs dat technisch en administratief zo perfect was als het Nederlandse persoonsbewijs. Overigens moest iedereen vanaf 14 jaar zo'n ‘ausweis' bij zich dragen. De kosten voor zowel de pasfoto als voor het persoonsbewijs waren voor eigen rekening. Het PB kostte één gulden en was voorzien van een betalingszegel en controlezegel. Beide zegels hadden een watermerk als ondergrond dat door het verzet nauwelijks was na te maken. Wanneer een PB zoek raakte werd een tijdelijk bewijs afgegeven. Vervolgens werd een grondig onderzoek ingesteld naar de vermissing alvorens een nieuw te verstrekken. Een ‘verloren' PB was voor het verzet zeer bruikbaar.  

 

De eerste stappen in de illegaliteit  

Op 25 juni 1941 kreeg Wim zijn verplichte oorlogspersoonsbewijs met No.175697.
Eind september 1941 verhuisde Wim naar de Mauritsstraat 1 één hoog, hoek Weesperzijde (foto). Een woning in het bijzonder karakteristieke hoekpand, met prachtig uitzicht vanaf het balkon op de Amstel en de Tulpbrug. Vanuit de achterkant van de huizen keek je op jachthaven ‘de Amstel’. Wim verdiende toen de kost als grossier cq expediteur in koloniale waren en woonde hier vanaf 10 oktober '41 samen met zijn Joodse vriendin, de 34-jarige kantoorbediende - stenotypiste Elly van GelderPas een jaar later - op 3 oktober 1942 - zou z'n huwelijk met Tonnie de Vink officieel ontbonden worden!  

 
[foto: Elly van Gelder, gekiekt in 1943 door haar vriendin Lilly Samuel op hun onderduikadres; de Hervormde pastorie in Nieuw-Beerta]



Wim had, zoals zal blijken, zich vóór die tijd al aangesloten bij het verzet en ‘verloor' zijn persoonsbewijs op 14 oktober '42. Hij deed hiervan dezelfde dag om kwart over zes ‘s avonds aangifte op bureau Weteringschans en kreeg per ‘godsgratie' een nieuw exemplaar op 29 oktober, met No.650489.   



Een jaar eerder, op 7 oktober 1941, had Wim zich overigens voor de allereerste maal al eens vervoegd op bureau Weteringschans. Toen om half twaalf in de ochtend, om aangifte te doen van de diefstal van zijn heren rijwiel, merk Gazelle. Zijn fiets was voor de deur van zijn woning in de Mauritsstraat gestolen, aldus het politierapport.
Zes weken later zag broer Leo, de betreffende fiets staan op de Noorder Amstellaan (huidige Churchilllaan) en dacht ik pik ‘m terug. Maar dat liep anders! Hij werd betrapt en om 17.30 uur opgebracht naar het bureau door agent van politie Dol, als verdacht van poging tot rijwieldiefstal. Hij bleef zelfs twee nachten in hechtenis en werd volgens rapport van donderdag 20 november 1941 om 9 uur 'ochtends per politieauto voor de officier van justitie geleid. ‘t Bleek achteraf een ander rijwiel te zijn en Wim kreeg z’n fiets nooit terug.

Fietsenvorderingsacties
Overigens werden er volgens de Amsterdamse politierapporten gedurende de hele oorlog honderden
, zo niet duizenden fietsen gestolen. Hoewel de invordering daarvan, ten behoeve van de Duitse Wehrmacht, in de zomer van ‘42 werd bevolen. De fietsen die toen werden ingeleverd waren meestal afgedankte wrakken. Deze verordening zouden de Duitsers slechts zo’n duizend bruikbare fietsen hebben opgeleverd. Omdat vrijwel niemand gehoor gaf aan het bevel tot inlevering, hadden alleen de straatrazzia’s nog resultaat. Omdat de verontwaardiging onder de bevolking groot was zagen ze wijselijk af van verdere georganiseerde fietsenvorderingsacties. De opbrengst aan fietsen woog niet op tegen het enorme gezichtsverlies dat de Duitsers hierdoor leden. Vanwege de schaarste was er vanaf 1943 vrijwel geen nieuwe fiets meer te krijgen. De fietsen die toen nog in Nederland werden geproduceerd waren bestemd voor uitvoer naar Duitsland. Het grapje dat half Nederland nog altijd maakt tegenover Duitsers: “we willen de fiets van opa terug” gaat desondanks wel op. Volgens het NIOD zijn er door de Duitsers gedurende de oorlog in Nederland tussen de 100.000 à 150.000 fietsen gevorderd. 



Op 19 februari 1942 deed Wim om 19.00 uur opnieuw aangifte van diefstal op het politiebureau. Ditmaal “... namens de secretaris D. Lamme van Inkoopvereniging "Onze Kracht" van Woustraat 74 huis, dat op 18 februari, tusschen 13 en 16.30 uur, uit een ongesloten goederenwagen van de Nederlandsche Spoorwegen, staande op de losplaats van de Centrale Markt, ten nadele van genoemde inkoopvereniging, zijn ontvreemd 64 KG capucijners, ter waarde van Fl. 20,00. Geen vermoeden”. Aldus opgemaakt door agent van politie Jongejans. 

Gemengde buitenechtelijke relaties aan strenge straffen onderworpen!
Op 25 maart 1942 vaardigde de bezetter een verbod uit op huwelijken tussen joden en niet-joden. Oók zulke buitenechtelijke relaties werden aan strenge straffen onderworpen! Op 30 juni volgde de avondklok voor joden vanaf 8 uur ’s avonds. Joden mochten niet meer fietsen en geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer. Op 4 juli volgden de eerste oproepen voor de ’arbeidsinzet’ in Duitsland en op 6 juli mochten Joden niet meer telefoneren of niet-joden bezoeken.
  

Wim’s Joodse vriendin en huisgenote Elly van Gelder verhuisde - al dan niet vanwege boven genoemde maatregel - officieel op 3 juli 1942 naar de Roerstraat 115, 1 hoog (haar voormalig ouderlijk huis). In werkelijkheid zou zij korte tijd later samen met haar, eveneens Joodse vriendin Lilly Samuel onderduiken bij dominee Bas Ader en zijn echtgenote Jo Ader-Appels in Oost-Groningen. Lilly en Jo Ader kenden elkaar uit Amsterdam, waarover later meer. 

Sinds 6 mei '42 woonde ook de 23-jarige Greetje Faber bij Wim en Elly in huis, maar zij verhuisde op 20 juli ‘42. Tevens de tijdsspanne dat Wim z’n eerste onderduikers in huis nam. Greetje zou overigens later Wim’s nieuwe vriendin (b)lijken. Hij ondersteunde haar in elk geval financieel voor haar opleiding tot vroedvrouw, waarvoor zij intern op de kweekschool in de Camperstraat 17 moest verblijven.
Wim bleef echter ook in nauw contact met vriendin Elly, op haar onderduikadres in Groningen. Behalve via brieven, zou hij haar ook regelmatig opzoeken al dan niet in combinatie met z'n illegale werkzaamheden.
   

Wims' ondergrondse contacten
Hoe Wim nou precies in contact is gekomen met het verzet is tot op heden altijd onbekend gebleven, evenals zijn ondergrondse Amsterdamse contacten. Eerder noemde ik enkele van zijn politieke vrienden en zijn pacifistische levensvisie. Voor de hand liggend is de mogelijkheid dat Wim betrokken bleef bij de Sneevliet groep (de latere CPN). De partij werd vanwege de oorlog op 14 mei 1940 opgeheven, maar ging ondergronds verder.

Kameraad Sneevliet was al op 10 mei ondergedoken en direct actief in het verzet. Samen met andere ex RSAP leden organiseerde hij het MLLF en schreef illegale publicaties onder het pseudoniem Baanbreker. Op 6 maart 1942 werd hij op z’n onderduikadres in Bergen op Zoom gearresteerd. Voor het Deutsche Obergericht in Amsterdam werden hij en zeven kameraden ter dood veroordeeld. Op 12 april 1942 werd Sneevliet naar Kamp Amersfoort gebracht en de volgende ochtend op de Leusderheide gefusilleerd. Nadat het MLLF was opgerold, ontstonden er in de zomer van ‘42 twee nieuwe groeperingen: één die als meer rechtstreekse erfgenaam van de Sneevliet lijn kan gelden en één die het blad Spartacus uitgaf en de radencommunistische weg insloeg. Leden van de Groep van Internationale Communisten [gic] werkten mee aan Spartacus en in de tweede helft van 1944 sloot de gic zich als groep bij de Communistenbond Spartacus aan.

Onder hen ook Wims’ goede vriend - en tevens oud-huisgenoot van Elly, Ben Sijes die zelf als Jood sinds eind '42, begin '43 ondergedoken zat. In de naoorlogse jaren zou Ben Sijes zich enige tijd ontfermen over Wims’ halfverweesde zoon, Roland. Hij nam hem in huis en zorgde ervoor dat Roland z’n middelbare schoolexamen haalde. Ben was direct na de bevrijding in dienst getreden van het Rijksbureau voor Oorlogsdocumentatie, het latere NIOD.

Amsterdamse verzetsgroepen
In Amsterdam moeten er in de loop van de oorlog tientallen verzetsgroepen en -groepjes zijn geweest, gezien de meer dan honderd executies verspreid over de stad. Amsterdam telt 176 oorlogsmonumenten!                                    
Lou de Jong heeft ooit berekend dat er landelijk tot 1942 enkele honderden verzetsmensen zijn geweest, in 1943 enkele duizenden, 25.000 in de zomer van ‘44 en na D-day - toen de bevrijding nabij leek - 45.000...

De bekende verzetsgroep CS6 telde meer dan zeventig mensen - waaronder leden van de welgestelde familie Boissevain, die we later in concentratiekamp Langenstein terugzien. Bij de groep Gerretsen was de kern twintig man. Wel keren dezelfde groepen en dezelfde namen steeds terug. Beeldhouwer Gerrit van der Veen was bijvoorbeeld leider van de Persoonsbewijzencentrale (PBC) en een van de leiders van de Raad van Verzet (RVV), een van de belangrijkste groepen van het gewapend verzet in Amsterdam.

De verzuiling was niet de enige oorzaak van zoveel verschillende initiatieven. Een van de grootste conflicten tussen de vele verzetsgroepen ging over de registratie van onderduikadressen. Een aantal kleine groepen in Amsterdam wilde niet samenwerken met de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), omdat zij het te gevaarlijk vonden om de adressen van hun onderduikers te registreren. Zij verenigden zich toen tot de Vrije Groepen Amsterdam (VGA). 

Een andere mogelijkheid liep wellicht via collega kunstschilder en lid van het bohemian vriendengroepje, Han Keja en diens vrouw Lies Jambroes wonende in de Roerstraat 16. Haar neef George Jambroes uit Zaandam, waar Wim’s zus Doortje toen korte tijd woonde, was tijdens de oorlog betrokken bij het ‘Englandspiel’ en werd als geheim agent uit Engeland gedropt, verraden, direct gevangen genomen en in ‘44 in Mauthausen gefusilleerd.
Lies Keja - Jambroes zou na de oorlog als eerste een oproep naar Wim’s lot in de krant plaatsen en was degene aan wie het Rode Kruis, zijn dood informeerde.

Kortom, de Amsterdamse illegaliteit bood vele ‘ingangen’ waaraan Wim zich had kunnen liëren. Wim behoorde in elk geval tot die burgers, die onderstaande waarschuwing van de Duitse bezetter negeerde.

Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO)
Halverwege de tweede helft van 1942 begonnen de Duitsers met het systematisch wegvoeren van Nederlandse arbeiders naar Duitsland voor de oorlogsindustrie: de Arbeitseinsatz. Toen werd pas duidelijk dat Nederland een landelijke verzetsorganisatie miste. Op kleine schaal werden er al onderduikers opgenomen, voornamelijk in de grotendeels Gereformeerde Achterhoek, waar de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers [ LO ] dan ook ontstond.

Aanvankelijk hielp men gevluchte Joden, Engelse, Franse en Belgische krijgsgevangenen, die uit kampen in Duitsland ontsnapt waren en ontwikkelde de LO zich uiteindelijk tot actiegroep gericht op het voorkomen van de Arbeidseinsatz. Naarmate het jaar 1942 vorderde bleek ook hoeveel werk het kostte om onderduikadressen, bonkaarten en dergelijke te vinden. De initiatiefnemers kwamen in contact met Frits ‘de zwervende dominee' en binnen enkele maanden was een grote organisatie, de LO geboren.

Er werd een commissie Van Zanten ingesteld, die het principiële verzet zou ondersteunen en werken aan praktische zaken met betrekking tot onderduikers. De commissie werd genoemd naar de man die leiding eraan zou geven, Ouderling Van Zanten (alias van Frits Slomp). Ondanks de gebrekkige communicatiemiddelen in die tijd werden er verrassend snel over het hele land contact gelegd met verzetsgroepen en gelijkgezinden.
Begin 1943 werden via de interprovinciale contacten diverse activiteiten voor onderduikers opgezet en halverwege januari '43 werd de eerste vergadering gehouden waarbij
vertegenwoordigers uit de betrokken gemeenten bijeen kwamen in Zwolle. Er werden steeds meer plaatsen betrokken bij het verzetswerk wat op den duur problemen opleverde omdat er daardoor ook steeds meer mensen naar de vergaderingen kwamen.
Het werd dus steeds moeilijker om zoveel mensen ongezien naar binnen te krijgen en geen argwaan bij de Duitsers te wekken. Tijdens de vergaderingen werd door diverse mensen onderhandeld over de door hun, op papier, meegebrachte onderduikers waardoor de vergadering al snel werd aangeduid als ‘'de Beurs''. Gezien het feit dat het netwerk van de LO steeds groter werd, kwam men tot de instelling van regionale beurzen. Op de LO-top bijeenkomsten werd voortaan niet meer gesproken over individuele onderduikers maar werden grotere problemen besproken.
 

Onderduikers in de Mauritsstraat                                                                     
Thuis in de Mauritsstraat nam Wim twee onderduikers in huis. Een ouder Joods echtpaar: volgens herinnering van kleine Roland genaamd (klinkend als) Bet en Mappie. Ze woonden er zo'n twee jaar gewoon als een soort kostgangers en namen deel aan het ‘gezinsleven’ binnenskamers. Niks geen dubbele muren zoals in ‘het Achterhuis’. Wim had hen bezworen zich nooit voor de vensters van de puntvormige woonkamer te vertonen, waarbij ze immers gezien konden worden door de overburen - en vanaf de Tulpbrug en de Weesperzijde - wat ze uit frustratie en verlangen naar de buitenwereld natuurlijk toch deden, met alle gevaren van dien!
Om hen af te leiden en h
un dagen een invulling te geven, haalde Wim een weefgetouw in huis. Later zouden er meerdere onderduikers, voor korte of langere tijd, een schuilplaats vinden. Ook aan een vluchtroute had Wim, inventief als hij was, gedacht. Via een luik, tussen de vloer van zijn etage en het plafond van de onderburen - een smederij annex fietsenstalling - begon een tunneltje waarin een loodrechte ladder die doorliep tot in het souterrain en vandaar aan de achterzijde, een gegraven tunneltje dat uitkwam in het haventje van jachthaven ‘de Amstel’ aan de Weesperzijde. Onderstaande foto - genomen vanaf het Amstelhotel - vlak voor de afbraak van het huis in 1966 - ten behoeve van de aanleg van de Torontobrug - toont aardig de toenmalige situatie. 
Overigens zouden Bet en Mappie de oorlog overleven. Zoon Roland heeft hen in de jaren erna nog wel eens gezien.





Latere stadsdeeldichter Karel Grazell schreef over Wim’s huis het volgende: “Ooit stond er op de hoek van Mauritsstraat en Weesperzijde letterlijk een hoekhuis: met de voorgevel op de Amstel gericht als de afgeronde punt van een speer. Ik ben daar wel eens op bezoek geweest. Bij de zuster van een jonge vrouw die een man als kunstschilder had. Het moet rond 1944 zijn geweest dat ik daar stond met mijn rug naar de punt van de speer toe. Tegen de overmuur van de woonkamer was een lichtje, het was een soort altaartje, gewijd aan Boeddha, zoals mij werd verteld. In die tijd was dat nog heel uitzonderlijk. Ik en vele anderen rondom me wisten toentertijd nauwelijks of niets over Boeddha. Het pand is nu allang gesloopt en Boeddha is ook hier een bekende figuur geworden”.   

De verzetsgroep van dominee Bas Ader (foto) in Nieuw-Beerta
In elk geval geraakte Wim in juli '42 verbonden met een verzetsgroep-in-opbouw in oost-Groningen, rondom predikant ofwel 'domie' Bas Ader in Nieuw-Beerta. Later zou dit groepje zich aansluiten bij de groep Roel Radersma en via hem, opgaan in de LO. Hoogstwaarschijnlijk liepen Wims' eerste contacten met de familie Ader via zijn eerdergenoemde vriendin Elly van Gelder en zij weer via haar vriendin, de fotografe Lilly Samuel. Zoals gezegd kenden Johanna (Jo) Ader-Appels en Lilly elkaar uit Amsterdam, alwaar Jo bij een uitgeverij werkte en als redacteur Samuels foto's afnam. Ze waren iets meer dan alleen werkcollega's, want Lilly maakte in 1935 zelfs de trouwfoto's van Bas Ader en Jo Ader-Appels.

Lilly (foto: zelfportret gemaakt tijdens de onderduikperiode in de pastorie) ontving in juli 1942 óók het geboortekaartje van hun eerstgeboren zoontje Bas Jan. Eind juli durfde zij, wellicht dankzij het kaartje, een noodkreet-brief te schrijven aan Jo Ader: “Kan ik een tijdje bij jullie logeren? Ik ben in grote nood”. Toen Jo deze brief aan haar man liet lezen, was die juist in een pessimistische bui en zei: “Daar heb je ’t al …, ik eindig mijn leven nog in een concentratiekamp”. Maar Lilly mocht wel komen! Zij werd hun eerste onderduiker. De familie Ader liet zich sterk inspireren door Jezus Christus gebod tot naastenliefde en stelden hun huis daarna open voor Joodse en andere onderduikers. Later schreef Jo Ader: "Aan Hem dankte Lilly het, dat er met de laatste post een expressebrief naar Amsterdam ging met de woorden: "Kom zo spoedig mogelijk met de laatste trein hier aan". Maar op de verwachte avond stond Domie, zoals Bas Ader in Groningen genoemd werd, vergeefs bij het station te wachten. Het duurde lang voor de familie Ader iets hoorde van Lilly. Ze wisten uiteraard niet dat Lilly snel had moeten duiken en voorlopig via, via onderdak gevonden had bij een beeldhouwer in Haarlem. Vermoedelijk was dit bij Mari Andriessen aan de Wagenweg. De RVV had hier lange tijd z'n hoofdkwartier en er zaten tevens een aantal Joodse onderduikers bij Mari Andriessen. Deze zou na de oorlog heel weinig over zijn illegale werk vertellen, maar wel bekend worden om zijn oorlog-herinnerings standbeelden, zoals 'De Dokwerker' en 'Man voor Vuurpeloton' op de Dreef in Haarlem.
 
Wims' eerste contact met het echtpaar Ader
De expressebrief van Jo Ader bereikte Lilly uiteindelijk toch in Haarlem, waarna zij haar komst eveneens per expressebrief aankondigde. Echter in Beerta werd de post slechts eenmaal per dag bezorgd en zo kwam het, dat Lilly onder begeleiding van 'onze' Wim de tocht naar Groningen ondernam en daar totaal onverwacht midden in de nacht aanklopte bij de pastorie. Bas Ader was toen niet thuis vanwege een door de nazi-Duitse overheid tijdelijk verplicht gestelde kabelwacht-dienst langs het spoor (tussen één en vier uur 's nachts).




Jo Ader werd wakker door de voordeurbel, maar durfde de deur niet te openen. Na enig heen en weer gepraat door de gesloten deur, vroeg Wim: "Ben ik hier aan de pastorie? Hebt u geen brief ontvangen?" Jo beaamde dit en was vast besloten niet open te doen en de nachtbraker weg te sturen. Uiteindelijk stelde zij de vraag: "Maar wie bent u dan? Uit Amsterdam was het antwoord. Noem mij dan uw naam eens. Een korte weifeling; toen, zo zachtjes dat zij het niet verstond... Samuel! Wat zegt u? Jo stond versteld, dat was Lilly's achternaam. In haar verbouwereerdheid zei ze: Maar u bent toch Lilly niet, u bent een man! Ja, antwoordde Wim, maar Lilly is bij mij. Bij dat toverwoord schoof Jo de zware ijzeren balk van de deur. Een kort scherp fluitje weerklonk buiten en Lilly, die gehurkt gezeten had bij het hek, stond een ogenblik later op de stoep. "

Na Lilly volgde Elly in augustus '42 en na haar vele anderen. Elly en Lilly zouden in de pastorie bekend staan als "de muizen" en deelden de onbetimmerde zolder. Op het boerenland van Groningen heerste in die jaren een ware muizenplaag, zodat elk evt. gerucht van zolder afgedaan kon worden met: "oh, dat zijn de muizen". Drie 'vaste' Joodse onderduiksters zaten gedurende langere tijd in de pastorie ondergedoken. In totaal zijn er twee tot driehonderd mensen via de groep Ader elders ondergebracht!

Dominee Bastiaan Jan Ader was een jaar ouder dan Wim, had zes jaar in Amsterdam gewoond en werd in 1938 dominee van de Hervormde Kerk in Nieuw-Beerta en betrok 'Domie', zoals de bijbehorende pastorie werd genoemd.
Nieuw-Beerta was een gemeente waar de meeste mensen van de kerk waren vervreemd ten gevolge van de enorme sociale tegenstellingen tussen rijke boeren en  arbeiders. De communistische partij deed hier goede zaken en telde vele aanhangers! Door zijn organisatorische talenten en zijn hartstochtelijke taakopvatting wist hij velen en met name jongeren aan zich te binden. Zoals gemeld, stelde hij vanaf ‘42 zijn huis open en werd de pastorie centrum van hulp aan Joden en andere onderduikers zoals politieke vluchtelingen, tewerkgestelden en Engelse piloten.
Tussen juli 1942 en april '44 werden er in totaal zo'n zeventien mensen, waaronder twee oomzeggers van Bas, door Bas en Jo Ader (foto) eigenhandig in de pastorie zelf verzorgd, onder ander: Johanna-Ruth Dobschiner, Elly van Gelder, Martha de Lieme (?), Lilly Samuels en Ruth Watermann en korte tijd Maurits en Eva de Lieme-Beek.  

Via zijn collega Klaas Beks in Garsthuizen kwam Bas Ader in het landelijke verzetswerk terecht. Hij raakte aanvankelijk betrokken bij het werk van de LO onder de verzetsnaam ‘Augustinus van Zaanen’. Later trad hij toen tot de ‘hervormde’ groep van de Groninger verzetsgroep van Roel Radersma (1902-1944), die vond dat de LO te veel gedomineerd werd door gereformeerden.

Daarnaast reisde Bas Ader ook veelvuldig naar Amsterdam waar hij zich samen met Nelly Margot Appels, een nicht van zijn vrouw, inspande voor het redden van joden uit de Joodsche Invalide, bewoners van het Joodse kinderhuis en patiënten plus personeel van het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis aan onderduikadressen hielp. Zoals verpleegster in opleiding Ruth Watermann, die vanaf eind augustus 1943 tot maart / april '44 tot een van de vaste onderduikers in de pastorie zou gaan behoren. Zij overleefde de oorlog. Ook Sam Bos (latere echtgenoot van Ruth Watermann), Miep Wonder, portier I. Abram, zuster Mansveldt (?) en Lisette Bolle, zijn latere rechterhand, wist hij uit de Joodsche Invalide vandaan te krijgen en elders onder te brengen. Hij aarzelde niet om - door hem geredde - joodse vrienden zoals Lisette Bolle en Arnold Blik bij zijn verzetswerk te betrekken.

Wim alias ‘de Mol'
Echtgenote Johanna (Jo) Ader-Appel hield  een dagboek bij, waarin uit veiligheidsoverwegingen de officiële namen van haar onderduikers niet genoemd werden. Het oorlogsdagboek werd de basis van haar latere boek: "Een Groninger pastorie in de storm", hetwelk in 1947 uit kwam. Hierin wordt onze Wim beschreven als hun "Arische vriend uit Amsterdam, die hen de ‘muizen' bracht en van alle markten thuis bleek". 
Onderstaand enkele citaten uit het boek, waarin onze Wim, alias ‘de Mol' aangehaald wordt:
"Zo maakte hij een luikje in de vloer van het zolderkamertje, waar de onderduikers zaten, dat uitkwam in een kast, waar zij bij onraad konden wegvluchten naar beneden.

De oude pastorie bood meer prachtige schuilplaatsen. Zo had de leerkamer een toneel en van daar uit werd een gang gegraven onder de hele leerkamer door, met een uitgang naar buiten. Dit graafwerk werd ook weer door onze Amsterdamsche vriend verricht, die speciaal hiervoor incognito met de laatste trein was gekomen".




Om zijn graafcapaciteiten kreeg Wim (links op de foto, gemaakt door Lilly Samuel) al gauw de bijnaam "de Mol die bij nacht en ontij voor de dag kwam en altijd na een paar dagen 's morgens in het donker vertrok". Dit alles speelde zich af in de zomer van 1942!

Bijna twee jaar (!) zou Wim onder andere op en neer pendelen met berichten en onderduikers vanuit Amsterdam naar Groningen. Hij begeleidde ook Joodse mensen met valse persoonsbewijzen, per trein naar Nieuw-Beerta. Soms overnachtte hij op de heenweg, met onderduiker en al, zoals een jonge vrouw Esther genoemd, bij zijn zus Doortje in Amersfoort, in de Hendrik van Viandenstraat 12, terwijl hun benedenburen NSB’ers waren!

Wim zat meestal in een andere coupé dan de onderduiker(s). De laatste trein arriveerde doorgaans pas na half twaalf op station Nieuweschans, dat een eindje buiten het dorp aan een doodlopende weg met maar weinig huizen stond.

Het was telkens voor hem en de aan zijn zorg toevertrouwde onderduiker(s) een angstige en spannende reis. "Je kon altijd controle verwachten. Het bleef gevaarlijk. Na Groningen stad was het heel goed opletten. Er was niets verlicht. Het was een aftellen van de stations. Het was voor de meeste onderduikers ook een volledig onbekende streek. Eenmaal op station Nieuweschans moesten ze aan de 'verkeerde' kant van de trein uitstappen, zodat ze niet over het perron hoefden. Dat was veiliger".



"In de winter van '43 wilden de ‘muizen' (Ellie van Gelder en Lilly Samuel) poppenkastpoppen maken voor de kerkelijke jeugdvereniging. ‘De Mol' kwam over op een van zijn talrijke bezoeken, niemand heeft hem ooit gezien en bracht een stel prachtige koppen mee, zelf geboetseerd, genoeg om de hele poppenkast mee te bevolken. En ‘de Mol' schilderde de Magere Brug over de Amstel", waar hij zelf als kind vlakbij was opgegroeid en de familie Ader enkele jaren gewoond had, voordat zij naar Nieuw-Beerta kwamen. "Met Sinterklaas was ‘de Mol' er ook en alle cadeau's werden uitgepakt en de gedichten voorgelezen. We begrepen niet hoe 't mogelijk was, dat je in zo'n benarde tijd nog zoo'n blij feest kon vieren".

Lilly Samuels was beroepsfotografe en had haar uitrusting meegenomen naar haar onderduikadres. Zij maakte 81 foto's van haar gastvrouw en gastheer, maar ook van zichzelf, de andere onderduikers en onze Wim ofwel 'de Mol'. Na het verraad in maart / april '44 werden de filmrolletjes en mevrouw Aders dagboek, door haar dienstbode Tantje Kuiper-Bruins, in een melkbus bij een boerderij begraven. Deze foto's werden pas na de oorlog ontwikkeld, in een schriftje geplakt en zo jarenlang bewaard door Tantje. Het zijn unieke foto's van de onderduik, want wie had er toen een fototoestel en fotomateriaal? 

 

Koerierswerk naar Limburg                                                                                                  
Buiten zijn werk voor dominee Ader in het hoge noorden, deed het verzetswerk Wim ook in het zuidelijkste puntje van Nederland en zelfs in België belanden; en wel vlakbij Maastricht in en rond de Sint Pietersberg.                                  
Algemeen bekend moge zijn dat in de Pietersberg, in het noordelijk gangenstelsel, gedurende die oorlogsjaren een geheime kluis in gebruik was voor Ne
derlands kunstschatten, zoals de Nachtwacht. Tijdens de oorlog boden deze gangen ook onderdak als schuilkelder. Via het zuidelijke gangenstelsel, dat tot in België reikt, liep een smokkelroute. Via een gat in een plafond, werden onderduikers en geallieerde vliegers uit Nederland gesmokkeld. Ervaren grotlopers leidden mensen die moesten vluchten door de grotten naar het Belgische Kanne, bij Riempst en van daaruit ging het via Frankrijk en Spanje naar Engeland. Volgens de berglopers was het Belgische verzet veel beter georganiseerd dan het Nederlandse, vooral omdat de Belgen al eens een bezetting door de Duitsers hadden meegemaakt (eerste Wereldoorlog).

 

Het zal in de nazomer van 1943 zijn geweest dat Wim een aantal paspoorten of persoonsbewijzen moest ophalen of afleveren in de Pietersberg. Als camouflage nam hij zijn 6–jarige zoon Roland mee.

 

[Foto rechts: het zogenaamde Smokkelgat. Aangezien de kust niet elke dag veilig was kwam het vaker voor dat de piloten zich een tijdje schuil moesten houden alvorens de ondergrondse tocht naar België te aanvaarden. ]

 

Wim wist goed de weg in de  grotten, hij was daar al vaker geweest (ook voor de oorlog) en liep zonder aarzeling naar een plek waar de oude grotgangen uitkwamen en dood liepen op de open groeve bovenin de berg. Vandaar keek je bovenop de afgraving, waar Duitsers beneden toezicht hielden op de werkzaamheden. Er waren meerdere oude gangen die op de afgraving uitkwamen. Hier zagen ze hier in de mergel een mooie zeester fossiel, welke dan ook rustig - enigszins roekeloos - uitgehakt werd.

Tijdens dezelfde reis, moesten ze in de ochtendschemer de Maas overzwemmen. De paspoorten of persoonsbewijzen werden goed ingepakt in zeildoek en Wim legde zijn zoontje rustig uit dat hij het pakje goed vast en boven water moest houden tijdens de overtocht. Roland kon toen nog niet zwemmen en zou op vaders rug naar de overkant komen. Ook moest hij de Duitse zoeklichten - die als een vuurtorenlicht - op gepaste tijden over het water schenen - in de gaten houden en vader waarschuwen als het in hun buurt kwam. Dan dook Wim met Roland op z’n rug enkele seconden onder, alleen zijn handje met de belangrijke papieren net boven water houdend. Eenmaal aan de overkant, liepen ze in de gaten van de bewaking. Wim moffelde het pakje snel weg tussen wat stenen en ging rustig gehurkt, in zijn zwembroek, op wat stenen zitten slaan. Zogenaamd op zoek naar fossielen. Vanwege zijn rustige en onverschillige manier van doen en de aanwezigheid van zo’n klein mannetje, wist hij de Duitsers te misleiden en kwam er mee weg. De papieren kwamen op de juiste plaats terecht en er waren weer enkele mensen geholpen.

Overigens zou Lisette Bolle, vanaf het voorjaar '44 - na Wims' arrestatie - met grote regelmaat onderduikers naar Limburg brengen.

Het verraad
Rond eind maart / april '44 leek de boel verraden en moesten er nieuwe onderduikadressen gevonden worden voor dominee Ader zelf, ‘hun muizen' en de anderen. De 'muizen' wilden zelf naar Amsterdam! "Na deze ontstellende tijding was er één lichtpunt: dat de Mol hen kwam halen". De twee ‘muizen' Elly en Lilly (of Nettie en Esther) schreven na hun reis naar Amsterdam een brief aan Jo Ader, over hun reis en aankomst.

 

Ze waren per trein, met z'n drietjes [Wim en de 'muizen'] via Amersfoort,  zonder treincontroles noch (valse) persoonsbewijs controles naar Amsterdam gereisd en "hadden - hoe kan 't het, in dezen tijd - een coupé met z'n drieën. Onderweg waren we al aangestaard door andere reizigsters vanwege onze bemodderde kaplaarzen, die we toen snel uittrokken en onszelf fatsoeneerden. Want we vonden dat we er te rimboe-achtig uitzagen om zo de stad in te gaan en stelden dus pogingen in het werk om dames te worden - met matig succes overigens. ‘De Mol' als heer vermommen was natuurlijk een onbegonnen werk, afgezien daarvan, dat ie 't niet nodig vindt, er niet van houdt en we 't dus ook niet probeerden".
Bij ‘de Mol' werden we ontzaglijk leuk ontvangen - er was een heerlijke Limburgse vlaai om onze aankomst te vieren en overal stonden bloemen. Er is vast heel wat veranderd in zijn huis sedert ons laatste bezoek. Ter ere van de logé's was er extra schoongemaakt en opgeruimd - desondanks moest ik onmiddellijk denken aan Dominee's relaas, dat er op tafel een plaatsje vrijgemaakt moest worden voor een kopje".

Rauter, de "Höhere SS-und Polizeiführer" in bezet Nederland en daarmee een van de leiders van het Duitse bestuur hier zat niet stil en kwam met nieuwe maatregelen. Er werd een nieuw systeem ingevoerd met betrekking tot de distributiestamkaart. Welke nodig was om bonkaarten op te kunnen halen. Er werd een nieuwe kaart, de zogenaamde Tweede Distributiestamkaart ingevoerd met bijbehorende controlezegel, zonder deze zegel kreeg je geen bonkaarten meer en onderduikers kregen deze zegels natuurlijk niet.

Vanuit de LO werd toen op 14 augustus 1943 de Landelijke Knokploegen (LKP) opgericht met als hoofdtaak de zorg voor persoonsbewijzen en bonkaarten. Deze werden verkregen door overvallen op distributiekantoren en connecties met goede ambtenaren bij de gemeente.

Door de maatregelen die de Duitse bezetter doorvoerde, zoals de Arbeidseinsatz en de nasleep van de april - meistaking in 1943 steeg de behoefte snel. De LKP opereerde in het jaar na oprichting met ongeveer 600 verzetsmensen die verdeeld waren over enkele tientallen knokploegen over het hele land. De LKP kon dankzij deze knokploegen de LO over een min of meer geregelde toevoer van bonkaarten verzekeren. In mindere mate maakte de LKP ook wel eens persoonsbewijzen en andere papieren buit, al werden deze voornamelijk door de Falsificatiecentrale van de LO vervaardigd.

Het verzet werd door de Duitsers natuurlijk fel bestreden en niet zelden werden er verzetsstrijders opgepakt of volgden er represaillemaatregelen na een verzetsactie. Zo werd op 19 oktober 1943 "de Beurs" in Hoorn overvallen en viel een groot deel van de landelijke leiding in handen van de Duitsers. De dag erna viel ook een deel van de LO - leiding Utrecht. De LO besloot uit veiligheidsoverwegingen te decentraliseren.
Ondanks decentralisatie vond men landelijke aansturing nog steeds noodzakelijk. Van de ‘'Top'' maakte uit: Jan Hendrikx (LO-Limburg), Henk Dienske (LO-Noord-Holland), Kees Pruys (LO-Gelderland), Teus van Vliet (LO-Zuid-Holland) en Izaak van der Horst die ook deel uitmaakte van de LKP-Top en verantwoordelijk voor de contacten tussen de twee organisaties. Na een arrestatiegolf van de ‘'Top'' in de zomer van 1944 werd door de overgeblevenen een Dagelijks Bestuur gevormd, in dit bestuur zaten Pruys, Douque, Van Riezen en Van Vliet.

In Londen was de LO echter niet bekend en dus ook niet op de hoogte van hun werkzaamheden. Met het oog op de komende invasie was het volgens het Dagelijks Bestuur een goed idee een vertegenwoordiger naar Londen te sturen. De Roermondse pater Bleijs kwam na maanden van reizen via Frankrijk, Zwitserland en Spanje uiteindelijk in Londen aan, waar hij de regering op de hoogte bracht van de werkzaamheden die de LO en de nevenorganisatie de LKP verrichtten. Resultaat: droppings met wapens en sabotagemateriaal via de Engelsen. 

Bas Ader ging op 7 april '44 (Goede Vrijdag) zelf in onderduik – in Amsterdam op de Blasiusstraat – vroeg hij Lisette om zijn rechterhand te zijn en bij hem in onderduik te gaan. 
Ader werkte daar samen met anderen een plan uit om
Kamp Westerbork te bevrijden. Volgens dit plan had er geen enkele trein meer vanuit Westerbork moeten vertrekken en had het kamp bevrijd moeten worden door met een trein met 200 verzetslieden het kamp in te rijden – als een soort paard van Troje – en zo de gevangen te bevrijden. Onderdeel van dit plan was ook het opblazen van de spoorbrug over het Buiskooldiep bij Ulsda, zodat het spoorwegverkeer naar Duitsland gestremd zou worden. De treinen die uit Westerbork vertrokken naar het oosten liepen altijd via dit enkelspoor. Uit diverse bronnen blijkt dat dit plan in een ver gevorderd  stadium verkeerde. Er zouden al tweehonderd mensen uit het verzet en van Britse zijde bij betrokken zijn. Hiertoe had hij onder andere contacten in Haarlem, waar ook de radio stond waarmee berichten naar Engeland verstuurd werden. Het plan werd nooit uitgevoerd want Ader werd op 22 juli 1944 in Haarlem gearresteerd. Ader kwam in de gevangenis en werd op 20 november 1944 in Veenendaal gefusilleerd.  

Wims' arrestatie
Slechts twaalf dagen nadat Bas Ader was ondergedoken, werd onze Wim als een der eersten uit de groep op woensdag 19 april '44 door de SD in Amsterdam gearresteerd, evenals de ‘grote muis' (Elly) en nog twee andere mensen die bij hem schuilden. "Ze werden eerst naar bureau Weteringschans gebracht, alwaar Wim een maand lang hardhandig werd verhoord en vastgehouden. De 'muis' werd naar Westerbork afgevoerd". Elly van Gelder is op19 mei '44 vanuit Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz met het enige ooit gefilmde transport (Breslauer film) en zou exact één week vóór Wim, op 22 maart 1945 op 38-jarige leeftijd in of nabij commando Malchow, een subkamp van concentratiekamp Ravensbrück, in het Duitse Mecklenburg om het leven komen. En ook haar vriendin Lilly (35 jaar jong), zou niet overleven. Zij stierf ergens in Midden-Europa, mogelijk tijdens een 'dodenmars' rond 30 september 1944.                                         

Een van de andere Joodse onderduiksters bij de familie Ader, Johanna Ruth Dobshiner, schreef ook haar verhaal op onder de titel "Te mogen leven". Ook in dat boek wordt Lilly nadrukkelijk beschreven. In beide genoemde boeken staan ook foto's van Lilly en de andere onderduikers tijdens de onderduik. Door verraad zijn Lilly en de andere onderduikers in april 1944 elders ondergebracht.

Bij de Duitse autoriteiten groeide het besef dat ze de slag tegen het verzet niet konden winnen met klassieke repressie en de langzaam werkende Duitse rechtbanken. In hun onmacht namen ze hun toevlucht tot draconische maatregelen waarbij ze carte blanche kregen van Hitler die in juli het zogenaamde 'Niedermachungsbefehl' had uitgevaardigd. Opgepakte ‘'terroristen en saboteurs'' zouden niet meer worden berecht maar direct aan de Sicherheitsdienst [SD] worden overgedragen. Executies van onschuldige gijzelaars maakten plaats voor executies van mogelijke Todeskandidaten: verzetsstrijders die naar het oordeel van de Duitse politiediensten in aanmerking zouden komen voor de doodstraf als er een proces tegen hen zou zijn gevoerd. Opsporing, aanklacht, veroordeling en executie in één hand, zonder mogelijkheid van hoger beroep of gratie.

Tussen half augustus en begin september 1944 werden als gevolg van deze maatregel in kamp Vught 450 gevangenen geëxecuteerd. Waaronder een groot aantal leden van de LO- en LKP- top, deze executies staan bekend als de Deppner-executies.

De concentratiekampgevangene in KL Herzogenbusch - Kamp Vught 

Via zijn Persoonskaart uit kamp Vught weten we dat Wim daar op vrijdag 19 mei 1944 werd opgebracht en geregistreerd als gevangene in het Konzentrationslager (KL) Herzogenbusch beter bekend als Kamp Vught. Zijn gevangenennummer was 10.194 en er was een zogeheten Schutzhafterlaß tegen hem uitgevaardigd. Dit betekende dat hij zonder vorm van proces gedurende onbepaalde tijd kon worden vastgehouden en dat hij zonder nader gespecificeerde aanklacht was opgepakt, waarbij de motivering en bewijsvoering van de arrestatie in een latere fase zouden volgen. 

 

Oom Wim, met zijn ijzersterke lichaam en volgens bovenstaande kaart nog 70 kg wegend, zou volgens een andere kaart uit kamp Vught op 31 mei 1944 met 81 andere gevangenen naar het buitencommando Venlo verplaatst zijn, waar onder meer dwangarbeid werd verricht ten behoeve van het aldaar gelegen vliegveld.

Uit latere briefwisseling tussen mevrouw Ader en de 'muizen', met het verzoek om warme dekens en voedsel, bleek dat zowel Netty, Esther en nog enkele bekenden in Westerbork terecht waren gekomen. Netty was eerder als onderduiker bij een moeder met zoon in een huis te Amsterdam ondergebracht. Die zoon was een jeugdvriend van Netty en diezelfde zoon had verkering met een Arisch meisje. Het Arische meisje zou jaloers geworden zijn en haar aangebracht hebben. Dit gerucht werd later tegengesproken. Een ander meisje had het verraden, een die met NSB'ers omging, een meisje dat ‘de Mol' wel kende en die hem verraden zou hebben. Toen de dominee later in Wim's huis kwam, was ‘de Grüne' net vertrokken. Alles was overhoop gehaald en stuk geslagen".

Een ieder dacht dat ‘de Mol' met zijn ijzersterke lichaam 't wel zou redden. Men maakte zich meer zorgen over de meisjes ‘muizen'. Zij zouden kort daarna per veewagen afgevoerd worden naar Polen en wisten vanuit de veewagen, op station Winschoten nog een dankwoord, via een Poolse kapitein, aan de dominee en zijn vrouw door te geven. Aldus het verhaal van mevrouw Ader-Appels, waaraan zij reeds in 1943 begon en 't eind mei '45 voltooide.

Op 22 juli 1944 ging het ook voor de dominee mis. Hij werd in Haarlem gearresteerd. "Contact met terreurgroepen" en "Hulp aan Joden" luidde de aanklacht. Op de eerste aanklacht stond de doodstraf, maar Aders vrienden hebben het bewijs hiervoor weten te vernietigen, zodat alleen de laatste aanklacht overbleef. Van het Plan-Westerbork was bij de Duitsers niets bekend. Op 28 juli werd Ader overgeplaatst naar de gevangenis op de Weteringschans in Amsterdam. Op 20 november 1944 werd de Duitse officier Rauter vermoord. Als represaille hiervoor werd Ader samen met vijf andere gevangenen nog diezelfde dag in Veenendaal gefusilleerd. 

Na D-day

Na D-day, 6 juni 1944 en de verbitterde strijd in Normandië, ging het aanvankelijk vlug: op 25 augustus viel Parijs, op 3 september Brussel en de volgende dag Antwerpen, met vrijwel intacte haveninstallaties in geallieerde handen. Een gevoelige klap voor de Duitsers. Begin september stonden de geallieerden aan de Nederlandse grens en op 3 september meldde Koningin Wilhelmina via radio Oranje optimistisch en voortvarend dat Prins Bernhard werd benoemd tot "bevelhebber der Nederlandse strijdkrachten onder het opperbevel van generaal Eisenhower. Prins Bernhard neemt hierbij de leiding op zich van het gewapend verzet in Nederland". Deze mededeling van de Koningin op 3 september werd afgesloten met de hartenkreet "Tot spoedig weerziens!" en werd gevolgd door een bevestigende bekendmaking van generaal Eisenhower en een toespraak van prins Bernhard tot de 'Nederlandse ondergrondse strijders' die bevel kregen armbanden gereed te maken waarop in elk geval met duidelijke letters het woord 'Oranje' moest staan. Bij dit alles hadden de Nederlandse ministers, die meenden dat de geschetste ontwikkelingen hun instemming nodig hadden, het nakijken. Maar ze onderdrukten hun frustratie en kozen voor de kant van de losbarstende vreugde toen van de kant van de geallieerde bevelhebbers werd gemeld: "het Duitse leger bevindt zich in een staat van ontbinding en het uur der bevrijding, waarop Nederland zo lang heeft gewacht, is nu zeer nabij".

Op maandag 4 september meldde Gerbrandy, in zijn radiotoespraak het, later onjuist gebleken, wereldnieuws: "Geallieerde strijdkrachten zijn Nederland binnengetrokken".
De bezetter liet duidelijk merken nerveus te zijn. Seyss-Inquart kondigde de Ausnahmezustand af: "- vluchten is verboden - ieder verzet - iedere verstoring van de openbare orde - iedere benadeling van het arbeidsproces - wordt gestraft met de dood of zware vrijheidsstraffen".

Rauter voegde daar nog aan toe dat op samenscholingen van meer dan vijf personen zonder waarschuwing vooraf, zou worden geschoten. De avondklok van tien uur 's avonds werd vervroegd naar acht uur.

De ferme taal van de bezetter suggereerde vastberadenheid om zich in Nederland te willen handhaven. Maar de werkelijkheid bleek genuanceerder: met name in het zuidoosten van het land trokken Duitse troepen in Noordelijke richting over de wegen; sommige in wanorde, als waren ze op de vlucht. Sterker nog: De SD en de Sicherheitspolizei begonnen hun dossiers te vernietigen zoals bij diverse Aussenstellen en Aussenposten kon worden waargenomen [in oorlogstijd zijn dat gebruikelijke rituelen die voorafgaan aan vertrek].

Schöngarth, de Befehlshaber van de beide diensten zette het opsporingswerk stil. Gemmeker, de commandant van Judendurchgangslager Westerbork, gelastte de vernietiging van de de kampadministratie maar verzette zich tegen de opdracht het kamp te ontruimen en de barakken over te brengen naar Ravensbrück.

Dolle Dinsdag

Dolle Dinsdag brak uit op 5 september. Aangewakkerd door het nieuws uit Londen van de vorige dag en de zichtbare ontreddering bij de bezetter was er geen houden aan. 'De geallieerden staan al bij de Moerdijkbrug', 'ze zijn Dordrecht al voorbij', 'Rotterdam is gevallen', 'ze kunnen elk moment in Den Haag arriveren', enzovoort. Op strategisch gekozen plaatsen verzamelden zich mensen, voorzien van Nederlandse en Engelse vlaggetjes, die meenden te 'weten dat ze hier langs zullen komen'.

 

 collectie Haags Gemeentearchief

 

De bedreiging dat op demonstranten en groepen van meer dan vijf personen zonder waarschuwing zou worden geschoten werd hier en elders op grote schaal genegeerd, soms met ernstige gevolgen.

NSB'ers op de vlucht

De gedachte dat NSB gezinnen, met name vrouwen en kinderen, bij een dreigende invasie naar de oostelijke provincies of misschien zelfs naar Duitsland zouden worden geëvacueerd was binnen de NSB geen onbekend thema. Toen de bezetter aanstalten maakte Rijksduitsers te evacueren ontstak de NSB in paniek. De vrees voor een aanstaande 'bijltjesdag' was algemeen.

Rauter bemiddelde dat de NS extra treinen beschikbaar stelde om NSB'ers die dat wilden te laten vertrekken. 'Uitsluitend vrouwen en kinderen; mannen die kunnen werken moeten blijven en zich beschikbaar houden', was Rauter's voorwaarde die echter massaal werd genegeerd. Met horten en stoten kwam de evacuatie op gang - stations werden herschapen tot pleisterplaatsen van vluchtende NSB'ers. De lege huizen van NSB'ers werden vrijwel meteen gesignaleerd en waren overgeleverd aan roof en plundering.
De evacuatie van de NSB gezinnen betekende voor zo'n 65.000 mensen voorlopig een enkele reis Duitsland waar ze (niet als gezin!) werden opgevangen in ongeschikte gebouwen op het platteland waar ze niet welkom waren.

Minder dan de helft lukte het begin 1945 terug te keren naar Nederland om in de noordelijke en oostelijke provincies wederom in ongeschikte gebouwen te worden gehuisvest, in afwachting van beslissingen over hun lot na de capitulatie. Degenen die na Dolle Dinsdag in de oostelijke en noordelijke provincies werden ondergebracht waren er relatief iets beter aan toe dan degenen die in Duitsland waren gestrand. Maar ook daar was huisvesting als gezin in een woning met enige privacy een hoge uitzondering. Een deel van de vluchtelingen kwam terecht in Kamp Westerbork waar nog slechts enkele honderden joden aanwezig waren.

luchtfoto Kamp Vught

De executies in Kamp Vught bereikten hun hoogtepunt rond Dolle Dinsdag, 4 september 1944. Een dag later maakte de regering in ballingschap bekend dat: "alle in Nederland opererende verzetsgroepen voortaan deel uit zouden maken van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS)". Met de oprichting van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten kwam een einde aan het bestaan van de LO.

Ook op 5 september startten de, in paniek zijnde, Duitsers met de ontruiming van kamp Vught. De resterende gevangenen, zo'n 3000 waaronder onze Wim, werden overgebracht naar kampen in Duitsland. De gealarmeerde knokploegen moesten machteloos toezien bij de afvoer van de gevangenen. De overmacht van de bewaking was te groot.

Het duurde overigens een paar dagen voordat duidelijk werd dat de berichten over de Duitse ineenstorting voorbarig waren. Hitler gelastte zijn troepen zich fanatieker te verzetten tegen de geallieerde opmars, nu de strijd zich naar het Vaterland dreigde te verplaatsen. Versterkingen werden naar het front gedirigeerd en van een snelle bevrijding van Nederland kon vooralsnog geen sprake zijn. In de komende weken zouden de geallieerden en de bevolking merken dat de Duitse bezetter nog lang niet verslagen was. En, als om dat te bevestigen, lanceerde Hitler aan het eind van 1944 het onverwachte Ardennen offensief.

De concentratiekampgevangene - KL Sachsenhausen

Middels meerdere transporten op 5 en 6 september werden de politieke gevangenen uit Kamp Vught gedeporteerd naar het Duitse concentratiekamp Sachsenhausen. Ruim de helft van hen zou de oorlog niet overleven. De reis werd afgelegd in goederenwagons en de verzorging onderweg was op z'n zachtst gezegd miserabel.

Kamp Sachsenhausen lag zo'n 35 kilometer van Berlijn, in de wijk Sandhausen [tegenwoordig Sachsenhausen] in het plaatsje Oranienburg en was vanaf 1936 opgebouwd door gevangenen. In Sachsenhausen hebben van 1939 tot 1945 ongeveer 200.000 mensen gevangen gezeten. Volgens de 'officiële' cijfers zijn er ca. 30.000 tot 35.000 mensen omgekomen. Velen kwamen om het leven door ziekte, uithongering, uitputting, marteling en executie.

Wim liep na de dagenlange reis op 10 september 1944, in colonne door de toegangspoort van Sachsenhausen met de leugenachtige en ironische tekst "Arbeit macht Frei".

In dit kamp werd Wim geregistreerd onder gevangenennummer 101.955.

 

Voorts werd hier officieel vastgelegd dat hij een politiek gevangene was en werd er op zijn Häftlings-Personal-Karte (gevangenenkaart) een uitgebreid signalement genoteerd. Wim was 1.75 lang, had een slank postuur, een ovaal gezicht met grijsblauwe ogen en een rechte neus, een normale mond en oren en droeg een kunstgebit. Op deze kaart staat tevens vermeld: "Eingewiesen am 20.4.1944 durch SD (Sicherheitsdienst) Amsterdam".

Onder de Nederlanders die vanuit Vught aankwamen in Sachsenhausen was ook tekenaar Andries Gort, geboren 24 januari 1914 te Enschede, die werd geregistreerd onder nummer 98.450. Een andere kampgenoot en overlevende, was Folkert Kunst, geboren 2 juni 1905 in Nijkerk. Folkert was op 6 september aangekomen en vertelde later dat de gevangenen daar werden ondergebracht in een grote vliegtuighal van Heinkel en dat ze 's nachts vaak dekking moesten zoeken in loopgraven vanwege bombardementen op Berlijn en de Heinkelwerke. Hieruit valt te concluderen dat ze waren ondergebracht bij de Heinkelfabrieken in het plaatsje Germendorf, waar Sachsenhausen een Aussenkommando had ingericht.

Folkert Kunst kreeg als nummer 101.405, Wim 101.955, tussen beider inschrijving waren ‘slechts' 550 andere gedeporteerde mannen geregistreerd. Zowel Andries als Folkert werden net als Wim aangemerkt als Politischer Häftling.

De dagen werden gevuld met eindeloos appel staan. Dankzij een bewaard gebleven document weten we dat Wim hier, zoals alle gevangenen, ook zijn laatste geld, te weten RM (Reichs Mark) 70,99 moest afgeven.

 

 

[tekening: H. Pieck]

 

De concentratiekampgevangene - KL Buchenwald

Na exact 33 dagen in kamp Sachsenhausen, werd Wim op 13 oktober 1944, waarschijnlijk lopend en al aanzienlijk magerder, naar het twaalf kilometer westelijker, middenin de bossen, gelegen KL Weimar - Buchenwald overgebracht. Nieuw gevangenennummer 93.309.

Na, in colonne, door de toegangspoort met de tekst "Jedem das Seine" (Ieder het zijne) gelopen te zijn, werd Wim direct na aankomst in het kamp ontluist, al het lichaamshaar afgeschoren en vond er ook een "medische keuring" plaats.

In dit kamp werden de laatste bezittingen van Wim geregistreerd. Op de kopie "Effektenverzeichnis" staat diagonaal op de kaart gestempeld de tekst: "Lt.Verf. v.11.11.44 des Chefs d. W.H.A. aufgelöst" (Laut Verfügung 11.11.1944 des Chefs de Wirtsschafts Haupt Amt aufgelöst). Dit stempel geeft aan dat de bezittingen van betrokkene door het SS-Wirtschaftsverwaltungshauptamt zijn onteigend. Deze ontrechting van gevangenen vond in de loop van 1944 op grote schaal plaats op grond van verordeningen. De reden hiervoor was het gebrek aan gevangenenkleding, zodat daarvoor de burgerkleding van gevangenen werd gebruikt.
Wim had op dat moment bij zich oftewel aan: een mantel, een rode sjaal, één broek, twee pullovers, twee overhemden, één onderbroek en een paar schoenen.

De kampleiding van Buchenwald plaatste het hele transport in de Politische Abteilung. Een Politischer Häftling droeg een rode driehoek op zijn kampkleding, in Wim's geval waarschijnlijk zijn eigen kleding, met daaronder zijn nummer. In de driehoek de letter N, die het land van herkomst aangaf.

Zoals later bleek zat hier ook sinds maart ‘42 de 49 jarige tekenaar en communistische verzetstrijder Henri (Han) Pieck uit Den Haag. Han was de tweelingbroer van Anton Pieck [onder andere later bekend als ontwerper van de Efteling]. Han maakte namens de Nederlandse communisten deel uit van de leiding van een ondergrondse communistische organisatie in Buchenwald. Deze organisatie wist het leed van de gevangenen aanmerkelijk te verlichten en Pieck was daarbij met zijn optimistische geaardheid een grote steun. Zijn tekentalent was hem behulpzaam bij het overleven.

Na in het 'moederkamp' geregistreerd te zijn, kwam Wim vijf dagen later op 18 oktober 1944, opnieuw lopend in een colonne aan in het 130 km noordelijker gelegen Langenstein - Zwieberge, een buitenkamp van KL Buchenwald dat, omstreeks dezelfde dag dat Wim werd verraden, op 20 april 1944 was opgestart vlak bij het dorp Langenstein.

 

Vernichtung durch Arbeit (vernietiging door arbeid) – Langenstein Zwieberge 

Het dorp Langenstein is gelegen in de noordoostelijke uitlopers van het Harzgebergte en het kamp Zwieberge lag iets verder naar het zuiden, in een dal en aan het zicht onttrokken door een tweekoppige heuvel 'de Zwieberge'. Het was een zogenaamd Aussenkommando van Buchenwald.

Buchenwald had 70 van zulke Aussenkommandos waar gevangenen werkten voor de Duitse oorlogsindustrie. Gevangenen in Buchenwald waren doodsbang om op een transportlijst voor een Aussenkommando te worden gezet, omdat toen al bekend was dat de behandeling van gevangenen er beroerder was dan in Buchenwald zelf. In Buchenwald stond Zwieberge bekend als het Todeskommando. Van een overlevende hoorde de familie na de oorlog de cynische term "Hemelvaartkamp".

 

Zwieberge was haastig opgebouwd in april - mei 1944 door een groep gevangenen uit Buchenwald en vanaf de derde week van mei kwamen de gevangenen in de niet afgewerkte barakken. Het kamp zou nooit behoorlijk worden afgebouwd. Wim moest, net als alle andere gevangenen, onder leiding van de SS dwangarbeid verrichten bij het project met de codenaam B II of Malachyt AG.

Malachyt AG was een samenwerkingsverband tussen de Hermann-Göring-Reichswerke (Salzgitter) en de Junkers Flugzeugwerke (Dessau). Project B I was het beruchte kamp Dora, waar vooral aan onderdelen voor V-2 raketten werd gewerkt. In Zwieberge was het de bedoeling om een ondergrondse fabriek uit te hakken in de nabijgelegen Thekenberg en in bedrijf te nemen voor de bouw van straalmotoren voor vliegtuigen van Junkers. Onder uiterst slechte omstandigheden moesten Wim en zijn mede gevangenen daar werken. Door vertragingsacties van de gevangenen en het einde van de oorlog kwam de productie hier nooit op gang. Desondanks zou er in ruim tien maanden tijd, door de bouwfirma's Grün & Bilfinger uit Mannheim en Bauwens uit Köln, in opdracht van Malachit AG 13 km tunnel worden aangelegd. De SS kreeg geld voor het leveren van arbeidskrachten, bestaande uit gevangenen en dwangarbeiders. Die men overigens in een dag- en nachtploeg aan de tunnelbouw liet werken.

Zwieberge was een vernietigingskamp, niet door gas, maar door middel van "Vernichtung durch Arbeit" (vernietiging door arbeid). Aangezien er werd gewerkt aan een geheim project, mocht op basis van een daarvoor geldende wet eigenlijk geen enkele gevangene het kamp levend verlaten. Vernietiging van mensen bereikte men door lange werkdagen (12 uur met een half uur pauze), ondervoeding, veel slaan en schoppen tijdens het werk door SS bewakers en burgerpersoneel.

Na het langdurige op appel staan, moesten de gevangenen 2,3 km lopen naar het werk en ‘s avonds doodvermoeid weer die afstand terug, daarbij gewonden en doden met zich meeslepend. Dysenterie, waaraan 80 procent leed, en andere infecties verzwakten de gevangenen nog meer.
Kampcommandant van Zwieberge was SS Oberscharführer Paul Tscheu, een zeer sadistische man die graag gevangenen doodde om de minste redenen. "Voor iedere dode tien anderen uit Buchenwald", was zijn motto. De gevangenen werden bewaakt door zo'n 500 man van de SS-Totenkopftrupp (doodskop troep). Zij waren enerzijds SS'ers en anderzijds Luftwaffensoldaten (luchtmachtsoldaten) uit het nabij gelegen vliegveld van Halberstadt.

Het kamp was bedoeld voor een bezetting van 2000 gevangenen, maar er bevonden zich al gauw zo'n 4000, later zelfs meer dan 5000 mensen. Het sterftecijfer was er zoals gezegd zéér hoog. Omdat transporten van lijken naar het crematorium in Buchenwald of Quedlinburg vanwege beschietingen door geallieerde vliegtuigen en door brandstofgebrek in de laatste maanden niet meer mogelijk bleek, maakte men uiteindelijk gebruik van massagraven. De lucht van de in ontbinding verkerende lijken hing zwaar over het kamp.

In totaal zaten er 6218 mensen in het kamp Zwieberge en telt men 4190 geregistreerde overlijdens ! Kort voor de bevrijding van het kamp, op 11 april 1945, werden 3000 gevangenen geëvacueerd naar andere kampen. Mogelijk heeft Wim nog meegelopen, gestrompeld in deze dodenmars. Gedurende deze onmenselijke voetreis, zonder eten of drinken, van ongeveer 330 kilometer, kwamen de meeste gevangenen om. Wie namelijk het tempo van de colonne niet kon bijhouden werd doodgeschoten!


Kamp Langenstein - Zwieberge 10 april 1945,
gefotografeerd op op 6,5 km hoogte - USAF

Nazi-Duitsland raakte steeds verder ingesloten door de Geallieerden. Vanuit het oosten rukte de Sovjet-Unie sterk op en in het westen onder meer de Amerikanen, Britten en Canadezen. Hierdoor kwamen de geallieerden steeds dichter bij de concentratiekampen.

De SS [Schutzstaffel] wilden de sporen naar deze kampen en de Holocaust laten verdwijnen. Om de gevangenen uit deze kampen weg te krijgen, bedacht de SS de dodenmarsen. Zo moesten 33.000 gevangenen uit Sachsenhausen het kamp te voet verlaten, waarbij ze verdeeld werden in groepen van 400. Het SS-plan was om de groepen in te schepen vanuit Denemarken en dan deze schepen te laten zinken. Op 6 april 1945 werd ook voor de nazi's van Buchenwald de grond te heet onder de voeten. Er werd een evacuatie van het kamp bevolen. Op dat moment waren er nog zo'n 47.500 gevangenen. In de volgende dagen werden meer dan 28.000 personen te voet of per trein in de richting van Dachau en Theresienstadt gedreven. Zeven- tot achtduizend onder hen overleefden de dodenmarsen niet.

Dankzij de interne verzetsorganisatie, Internationaal Lagercomité, werden SS orders vertraagd, waardoor het kamp niet volledig geëvacueerd kon worden. Tegen 11 april waren de meeste SS'ers gevlucht. Het Internationaal Lagercomité wachtte niet op de komst van de Amerikanen. De leden haalden de wapens tevoorschijn, bezetten de wachttorens en overmeesterden enkele tientallen SS'ers. Die dag werden 21.000 gedeporteerden bevrijd, waaronder 4.000 Joden en een duizendtal kinderen en jongeren. Op 12 april werd een algemeen vrijheidsappel gehouden en een dag later bereikten Amerikaanse troepen het kamp.

Op bevel van de Amerikaanse bevelhebber Patton werden een duizendtal inwoners van Weimar verplicht naar Buchenwald te komen en de misdaden van de nazi's te aanschouwen. "Wir haben es nicht gewusst" (we wisten het niet) was de reactie van de meerderheid...

Voordat de verschillende dodenmarsen begonnen, waren al duizenden gevangenen doodgeschoten, vergast, kregen een dodelijke injectie toegediend of kwamen om van de honger of marteling.

Kort voor zijn dood had Wim hier nog contact met ene Willy Boon, een Sanitäter (medegevangene cq verpleger) aan wie hij zijn laatste persoonlijke bezittingen, zoals in het kamp vervaardigde schetsen, toevertrouwde. Mogelijk omdat deze naar menselijke berekening meer kans leek te hebben om te overleven. Zo blijkt uit briefwisseling van na de oorlog. Volgens "Het verhaal over Andries Gerrits Gort", kwam deze Willy Boon uit Rotterdam en overleefde de oorlog inderdaad.

Wim werd vermoord op donderdag 29 maart 1945 in de buurt van kamp Langenstein - Zwieberge. Op zijn Häftlings-Personal-Karte staat vermeldt in het vak 'Strafen im Lager' - Grund (reden) I.R.O. gevolgd door zijn sterfdatum. Zijn laatste rustplaats was een massagraf, mogelijk onder het huidige gedenkteken.

Na zijn dood

Op 11 april 1945 bereikte de 83e Pantserdivisie der Amerikanen de omgeving van Halberstadt. Het kamp werd in de nacht van 11 april door de Amerikanen bevrijd. Hoewel het een Franse officier was die in de nacht luid riep: "Vous êtes libre" (U bent vrij). Daarmee kwam voor de 1400 achtergelaten gevangenen, de meeste zeer verzwakt of doodziek, de bevrijding. Toen de Amerikaanse soldaten het kamp binnentrokken troffen ze een vreselijke en intrieste situatie. Er hing een vreselijke stank rond het kamp, uitgemergelde en uitgeputte zieken waren nauwelijks in staat om hulp te roepen. De nog open liggende massagraven toonden hen de achteloos weggewerkte lichamen. De zieken bleken toevertrouwd aan Tsjechische en Poolse artsen, zelf ook gevangenen, die geen middelen hadden hen te helpen.

Vanaf 13 april evacueerden de Amerikanen de achtergebleven gevangenen. De weken daarna zouden er nog zo'n 25 mannen per dag overlijden als gevolg van de vreselijke ondervoeding.

Van het concentratiekamp is niet veel over, slechts een paar gebouwen in de bossen zijn bewaard gebleven. Ter herinnering aan de slachtoffers is er een monument geplaatst. Ook zijn er honderden paaltjes met lintjes geplaatst.

Van het transport naar Langenstein zouden slechts 10 mannen in Nederland terugkeren! Onder hen de eerdergenoemde Folkert Kunst, Willy Boon en Douwe Douma uit Amsterdam. Zij hebben na de oorlog meegewerkt om de namenlijst der gevallenen van het Rode Kruis zo correct mogelijk te reconstrueren.

Zo maakte Willy Boon kort na de oorlog een lijst op van overleden Nederlanders, voor het Rode Kruis: "Bovengenoemde personen zijn overleden aan uitputting, algeheele zwakte, buikloop en zware mishandeling, daarbij nog gebrek aan medikamenten en verbandmateriaal."

Folkert Kunst had, nadat hij op 2 juni 1945 uitgemergeld en zwak was gerepatrieerd, ook nog persoonlijk contact met familie van gestorven lotgenoten uit kamp Langenstein - Zwieberge.

Direct na de bevrijding was Han Pieck een belangrijk lid van het internationale comité van de ex-gevangenen en was hij vertegenwoordiger voor de Nederlandse ex-gevangenen tot ze gerepatrieerd werden. Kort na de oorlog verscheen zijn uitgave met tekeningen met indrukwekkende en aangrijpende impressies, heimelijk gemaakt in het kamp. De originele tekeningen zijn na zijn dood, in 1972, ondergebracht bij het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum Overloon.

In 1993 schreef Folkert Kunst, 88 jaar oud, nog een laatste brief aan Frau Ellen Fauser van de Mahn- und Gedenkstätte Langenstein-Zwieberge en auteur van het boek 'Die Kraft im Unglück'. Hierin verhaalde hij over zijn bezoek in 1972 aan West- en Oost Duitsland en aan het kamp Langenstein - Zwieberge. Over zijn herinneringen aan de kamptijd schreef hij onder andere: "Ik heb het gevoel, dat ik nu alleen maar de buitenkant van mijn verhaal heb verteld. De binnenkant is, o wonder, dat ik achteraf dankbaar ben het te hebben meegemaakt". Folkert Kunst overleed op 23 februari 1995.

De nalatenschap van Wim Haagen, toevertrouwd aan bovengenoemde Willy Boon, heeft de familie nooit bereikt! Wellicht was hij het adres in die chaotische dagen kwijtgeraakt, want de via Folkert Kunst aan hem toevertrouwde persoonlijke eigendommen van Andries Gort, een lepeltje, mesje, enkele tekeningen, boeken en schilderskist, kwamen later keurig terecht bij zijn weduwe.

De genoemde bouwfirma's Grün & Bilfinger uit Mannheim en Bauwens uit Keulen leiden nog steeds een bloeiend bestaan...

De LO was een van de belangrijkste verzetsorganisaties in Nederland tijdens de tweede wereldoorlog. Volgens een balans die na de oorlog is opgemaakt telde de LO tot september 1944 ongeveer 15.000 medewerkers, mannen en vrouwen uit alle lagen van de bevolking. Met de aanstaande bevrijding in zicht sloten, na september 1944, zich nog velen hierbij aan.

Gedenktekens, boeken en meer... 

Van de ruim 180.000 Nederlandse oorlogsslachtoffers hebben ongeveer 50.000 slachtoffers een aanwijsbaar graf. Van ruim 130.000 omgekomen landgenoten is geen graf bekend. De meeste werden vergast en verast in de crematoria van Duitse vernietigingskampen, anderen vonden een zeemansgraf of staan als vermist te boek.

Om te voorkomen dat de namen van deze slachtoffers worden vergeten, heeft de Oorlogsgravenstichting deze opgetekend in een serie Gedenkboeken van 42 delen. Dit project startte in 1961. Bij het drukken van de boeken kreeg de Stichting hulp van leerlingen van de grafische scholen van Amsterdam, Den Haag en Utrecht. Men hoopte dat de jeugd door dit werk zou beseffen dat de vrijheid ten koste van vele mensenlevens was verkregen. De leraren van deze scholen en enkele gepensioneerde zetters hebben het werk voltooid. In 1973 was het laatste deel klaar.

In deel 2 van de Gedenkboeken, staan 1.587 namen van niet-joodse slachtoffers in de concentratiekampen Auschwitz, Buchenwald, Grosz-Rosen, Lublin, Mittelbau, Ravensbrück, Sachsenhausen, Sobibor, Stutthof, Theresienstadt en Warschau.
Op blz. 35 vinden we de naam van oom Wim, voluit Willem Gerardus Haagen, 
Overlijdensplaats: Kdo Langenstein-Zwieberge, Buchenwald.
Begraven: Gedenkstätte Langenstein-Zwieberge, Sachsen-Anhalt Duitsland.

Direct na de bevrijding heeft mevrouw G. Faber uit Amsterdam zich, op briefpapier van de Kweekschool voor Vroedvrouwen, in contact met het Informatiebureau van het Rode kruis gesteld, als zijn vrouw... Mogelijk had zij als vriendin met Wim samengewoond.

Als kind van een jaar of acht, bracht ik samen met mijn vader, Wim's broer, een bezoek aan mevrouw Ader. Ik herinner me slechts een grote gezellige keuken waar de grote mensen lang en serieus praatten, maar vooral die lange autorit naar huis, waarbij mijn vader, die zo moeilijk z'n ware emoties kon tonen, met grote tranen biggelend over zijn wangen zijn nette pak drijfnat huilde...

 

 

In Nieuw-Beerta staat een monument ter nagedachtenis aan hen die zich niet lieten breken door de bezetter, met de simpele inscriptie: ONGEBROKEN 1940 - 1945

Meer niet. Eén van de mensen die tijdens de oorlog 'ongebroken' was, was verzetsman Wim Haagen. Op donderdag 29 maart 1945 kwam hij aan zijn einde. Hij liet een 8-jarige zoon achter. Pas in september 1948 werd de familie officieel over zijn dood ingelicht. Wim werd slechts 34 jaar oud!

 

 


Bronnen voor dit verhaal komen uit het Stadsarchief Amsterdam ‘Een Groninger pastorie in den storm' - J.A. Ader - Appels uitgeverij Kirchner, Amsterdam 1972, Oorlogs- en Verzetsmateriaal Groningen, Oorlogsgravenstichting, Gedenkboeken 1940-1945, Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie [NIOD], Rode Kruis Tracing Oorlogsnazorg, Nederlanders in Buchenwald, Het ware verhaal over Andries Gort, KZ Buchenwald, KZ Langenstein - Zwieberge, Wittebrugpark - J. BorgmanWO2.nl, 
De GPOe op de Overtoom en het BWSA
, Wikipedia