Stamreeks van Anna Hermina van Wereld

Generatie 1 

Anna Hermina (An) van Wereld, geb. Amsterdam 29 maart 1926, lingerie naaister, † Zandvoort 15 sept. 2005, gecrem. Haarlem 19 sept. 2005,  tr. 1e Amsterdam 16 maart 1950 (echtsch. ald. 2 nov. 1951) Johan Verduijn, geb. Amsterdam 27 april 1921, monteur, zn. van Jacobus en Trientje Johansson; tr. 2e Amsterdam 24 maart 1954 Leo Eugenius Haagen, geb. Amsterdam 27 juli 1911, kantoorbediende; kappersknecht; begrafenisondernemer; vertegenwoordiger - handelsreiziger; kapper (eigen zaak), † Haarlem, wonende in Zandvoort 12 juni 1988, begr. Zandvoort, Alg. Begraafplaats Tollensstraat 16 juni 1988, zn. van Jan Willem en Magdalena Geertruida (Lena) van Vught en gesch. echtg. van Margaretha (Greetje) de Vink.  


An groeit op, als tussenkind, in een arm middenstandsgezin. Haar vader is dan meubelmaker - behanger - stoffeerder. Het gezin is afwisselend katholiek (vader) en hervormd (moeder). Nauwelijks een week oud, verhuizen haar ouders naar de nieuwbouwwijk Tuindorp Oostzaan. Ze wonen daar heerlijk, er is een tuin waar An (een rustige baby), bijna hele dagen in de kinderwagen wordt neergezet. Zolang, dat buren haar moeder ’s avonds waarschuwen de baby niet vergeten binnen te halen! 

An wil na de lagere school graag doorleren voor onderwijzeres. Helaas krijgt ze hier de kans niet voor. Ze gaat, op aandringen der nonnen, naar de St. Joannesschool in de Rustenburgerstraat waar ze ook een zevende en achtste klas hebben. De afstand tussen huis en school is slechts zo'n tien minuten lopen via het Sarphatipark. Haar oude lagere school was bijna een uur lopen (vanwege verhuizingen en steun van de kerk, waaraan die school verbonden was).
Het is een klein meisjesklasje en de juf - een bevlogen non, haar tijd ver vooruit - probeert hen zoveel mogelijk mee te geven. Zij houdt hen niet bezig met saaie aparte vakken, maar weet alle lesstof te combineren met maatschappijleer (wereldoriëntatie 'avant la lettre') en laat dan werkstukken maken, die op het huidige VWO niet misstaan zouden hebben. An wordt door het bestuur der school onderscheiden voor "Zeer goed Gedrag en Vlijt" en steekt in die twee jaar heel wat kennis op, die haar later in het leven maar al te goed van pas zullen komen.

Als 14-jarig meisje gaat zij in de vroege zomer van 1940, de eerste oorlogsmaanden, als naaister aan het werk bij de Firma van Dam, damesstoffen en lingerie in de Kalverstraat 165. Ondanks de oorlog, weet An in juli '41 het eerste vakdiploma Corsetnaaister te behalen, zoals ook op haar Persoonsbewijs genoteerd wordt.

In de loop van '43 loopt dit werk sterk terug; deels door gebrek aan de juiste stoffen (alles op de bon) en door het verlies van een groot deel der Joodse clièntele. Het bedrijfje breidt haar werkzaamheden uit met het 'keren' van kleding, zoals japonnen, jassen en costuums. Het kledingstuk werd dan helemaal uit elkaar gehaald en vervolgens werd versleten buitenkant, binnenkant.

Was An als 14 jarige net 'een groot meisje' geworden, zo stoppen de maandelijkse periodes plots in '43 (overigens gebeurde dit bij heel veel vrouwen tijdens de bezetting). Hoewel nog behoorlijk gegroeid (zo'n 8 cm) eiste de eenzijdige en te weinige voeding zijn tol. Daarnaast kreeg zij geelzucht en moest volgens de huisarts op dieet, met o.a. veel vers fruit, kwark en gekookte vis. Maar ja, dat was niet te krijgen... Zo sukkelde ze laatste zware oorlogsperiode door.

In '46 begint An, via avondstudie, een vervolgcursus in Maatwerk Corsetten en gaat twee jaar werken bij 'Corsetterie Coforma' van het Joodse echtpaar Meijer Gobitz en Kaatje Polak, in de Churchill-laan. Medio '48 stapt ze over naar de 'Firma C.de Wilde' gevestigd aan het Singel 163-165, met de atelieringang in de Torensteeg 3. Dit bedrijf was gespecialiseerd in maatwerk corsetten en bustehouders. Directeur was voormalig kantoorbediende Piet Folkers, die het oorspronkelijk Joodse bedrijf vanaf sept.'45 voortzette als corsettenfabrikant. Juffrouw Céleste gaf leiding aan de naaisters. An zal hier "tot volle tevredenheid" werken tot 3 jan.1952, aldus het getuigschrift. Haar aanstaande tweede echtgenoot Leo, werkte tussen 1945 en 1954 als Hoofdvertegenwoordiger voor dit bedrijf.

Vervolgens werkt An nog twee jaar voor ‘Primo Corsetten Industrie’ in de Churchill-laan 99, welk bedrijf eveneens van eerdergenoemde Meijer Gobitz was. Ze krijgt er uit de chique Appollobuurt veel vaste klanten - met speciale wensen - die haar tot ver in de jaren '60 nog in Zandvoort zullen weten te vinden.
Overigens behaalt zij in juli 1956 (als moeder van een peuter en de tweede op komst, naast een fulltime baan) het laatste diploma als “vervaardiger van maat-corsetten, bij de St.Vakopleiding Textielambachten te Amsterdam”. En begint zij negen dagen na de bevalling, op 29 okt. haar eigen “Corsettenvervaardigingsbedrijf” op hun woonadres in Zandvoort. In die jaren heeft ze ook een aantal, vooral gezette, oudere dames uit het 'Huis in de Duinen' (bejaardenhuis) als klant. Hoewel in de zeventiger jaren de convectielingerie de markt volledig heeft veroverd, blijft ze op dringend verzoek, speciale medische korsetten - met walvis baleinen - maken voor dames met rugklachten.

Van haar eerste verdiensten (waarvan ze driekwart afstaat aan moe) spaart zij om zwemles te kunnen nemen in het Zuiderbad en daarna jarenlang voor een fiets.
De Duitse bezetter verbood veel, maar propageerde de jeugd o.a. via het Polygoon bioscoopjournaal om vooral de stoffige stad tijdens vakanties te verlaten, trektochten te gaan maken en daarbij te overnachten in jeugdherbergen. An wordt in juli '44 lid van de Jeugdherberg Centrale (
NJHC) samen met hartsvriendin Rika 't Hart. Hun eerste weekend (22 juli) overnachtten ze in jeugdherberg De Kaag, gevolgd door Amersfoort (1-2 aug.), waarna het vanwege voedseltekorten en oorlogsgeweld onmogelijk werd. 

Na de bevrijding sluit An zich ook aan bij de Arbeiders Jeugd Centrale (
AJC, opgeheven geweest tijdens de oorlog). Pas in de loop van '46 volgen er weer NJHC weekendjes en zelfs vakantieweken. Zoals zeilkampen in 't Friese Heeg en in Kamphuis 'de Paasheuvel' (een rood bolwerk) te Vierhouten. 
Met een uitgebreider vriendenclubje maakt An tot 1951 enorm veel meerdaagse wandel- en fietstrektochten door heel Nederland (in '47 twaalf, in '48 en '49 zestien, alleen al bij de NJHC). Zij heeft dan ook haar eerste fototoestel gekocht, zo'n klein vierkant boksje in leren foudraal en worden alle uitstapjes uitgebreid vastgelegd (en afgedrukt in de Doka van broer Herman).
't Zijn vooral vrolijke en ontspannen kiekjes van zingende en volksdansende jongeren, die duidelijk de 'vijf verloren jaren' aan 't inhalen zijn.
Daarnaast volgt ze in die naoorlogse jaren via de AJC allerlei cursussen op politiek-maatschappelijk gebied, maar ook Frans, Engels en voor 't middenstandsdiploma.

Als 23-jarige trouwt ze met Johan, monteur van beroep en gaan wonen in de Lange Niezel 24 / 2 hoog voor. Na slechts 17 maanden wordt het huwelijk ontbonden. Het was zoals dat genoemd wordt, niet geconsumeerd. Om te kunnen scheiden had bovenstaande aangevoerd kunnen worden, maar dat zou ook weer genant geweest zijn voor hem. Daarom neemt An de "schuld van overspel" op zich, waarna Johan zwart-op-wit bij een notaris de verklaring opstelt dat An een "eerlijke en eerzame vrouw" was. Zo ging dat in die dagen...
An woont half aug.1951 weer bij moe. Thuis nemen de zussen 't haar kwalijk, want Johan was zo'n leuke, lieve jongen. De waarheid vertellen - tja dat kon toen nog niet - daar sprak je niet over... Ruim een jaar later is ze de stille verwijten beu en gaat zelfstandig op kamers wonen in de Okeghemstraat 2 III hoog (Oud Zuid).

 

Zoals gezegd leerde ze, enkele jaren eerder al via haar werk, de vijftien jaar oudere Leo kennen. Hij was ook al eerder getrouwd geweest, deelde 't socialistische gedachtengoed en woonde in de Rivierenbuurt, Biesboschstraat 12 I hoog. Op maandag 25 januari 1954 trekt An officieel bij hem in.

 

 

 

 

 

 

 



Leo was opgegroeid als middelste kind (links op de foto) in ’n winkeliersgezin (chocolaterie-kruidenier). Hoewel vader van hervormde huize kwam, was het gezin Haagen katholiek. Leo was samen met broer Wim jaren misdienaar. Beide broers waren zéér sportief, deden aan lange afstand hardlopen (halve en hele marathon) en leerden in de strenge winters al snel schaatsen en reden lange tochten, maar waren ook bedreven in het figuurschaatsen waarbij ze de mooiste figuren reden en al jong meisjes versierden bij de koek-en-sopie.

Na de lagere school had Leo nog ruim twee jaar Gymnasium gevolgd (hij wilde Nederlands gaan studeren), maar had door ernstige ziekte van moeder, als 15-jarige de school moeten verlaten. Vader wilde hem verhuren als kappersknechtje, dan kon hij later wellicht een eigen zaak beginnen, maar Leo ging liever op 5 jan.1926 aan de slag als kantoorbediende bij de Kon. Pharmaceutische Handelsvereniging v/h D'Ailly gevestigd aan de Nassaukade, alwaar hij tot 18 sept.1928 “tot tevredenheid” werkte, aldus ‘t getuigschrift en verliet hij “op eigen wensch het bedrijf”.
Dit was nog de tijd waarin een 'hoofdarbeider' meer aanzien genoot dan een ambachtsman. Leo woonde toen nog bij zijn ouders thuis in de Ruijsdaelstraat 116, dus vanwege de lieve vrede begon hij alsnog zijn kappersloopbaan.

Samen met z’n broer Wim, toen nog timmerman - en kunstschilder in wording - was Leo lid geworden van de AJC waar ze kennis maakten met het socialistische gedachtegoed. Ook gingen de broers naar lezingen en bijeenkomsten van geëngageerde kunstenaars en schrijvers. Vervolgens zouden beiden zich aansluiten bij de links-anarchistische beweging en later nog bij het Radencommunisme.

 
Het ouderlijk gezin Haagen met kleinkinders op 't strand bij IJmuiden (middenin met gebruinde kop, Leo)


Als 19-jarige moest Leo opkomen voor de Nationale Militie en per 1 mei 1930 geschikt verklaard voor het 18e Regiment Infanterie. Tijdens schietoefeningen op de Gooise heide, werd hij geraakt door een kogel in zijn middenvoet. De wond herstelde, maar desondanks kreeg hij een geldelijke compensatie voor dit dienstongeluk. Per 31 juli 1931 ging hij met groot verlof (per 1 okt.1937 einde dienstplicht).
Bij thuiskomst bleek Leo, krap 20 jaar oud, vader geworden. Met Greetje de Vink, de moeder van ’t meiske, had hij slechts een korte onstuimige affaire gehad en zij had de zwangerschap voor iedereen verborgen weten te houden, tot de bevalling zich aandiende. Leo’s vader besloot - ondanks de felle tegenwerpingen van z’n tweede echtgenote (Leo's stiefmoeder; tante Maartje genoemd) - dat de jongelui absoluut niet bij elkaar pasten - dat er toch getrouwd diende te worden. Tja, burgerlijke conventies…
Greetje bleek ’n simpele, moeilijke en opvliegende vrouw, die niets moest hebben van Leo’s politieke activiteiten. Zo zong zij luidkeels obscene liedjes tijdens vergaderingen bij hen thuis, om hem te treiteren. Leo ging er bijna aan onderdoor.
Overigens werkte hij in de crisisjaren ’30 eerst nog als kappersknecht, raakte werkeloos (zoals ruim 100.000 anderen) en kon vervolgens als begrafenisondernemer (1933-1935) aan de slag.


Anarchist, Pacifist en Radencommunist
Hoewel Leo en broer Wim in hun jongensjaren een knokpartijtje, van straat tegen straat of school tegen school, bepaald niet uit de weg waren gegaan en ook de dienstplicht hen niet echt had tegen gestaan, voelden zij zich toch sterk aangetrokken tot de beweging van het ‘gebroken geweertje’. De toenmalige vredesbeweging, die het praktisch pacifisme predikte en gekoppeld was aan het socialisme. Heel wat ‘vredesmensen’ zouden, net als Wim, zo’n tien jaar later makkelijk hun weg naar het verzet vinden. En liep Leo jarenlang met dit speldje op z'n revers.
Daarnaast sloten beide broers zich, zoals gezegd, aan bij de links-anarchistische beweging en later bij het Radencommunisme. Dewelke toen beschouwd werden als staatsvijandelijke links-extremistische groepen.

Alhoewel Leo hierover, als vader, smakelijk kon vertellen en tot op hoge leeftijd meeliep in vredes- en anti-kernwapenmarsen, zijn bij zijn kinderen met name de lachwekkende of hachelijke situaties blijven hangen. En wisten ze een en ander niet geheel juist te plaatsen; welk deel was waarheid en wat slechts een mooi bravoureverhaal? 
Het verbaast hen dan ook behoorlijk, Leo’s naam meermaals terug te vinden in het archief van de voormalige Centrale Inlichtingen Dienst (CID, later BVD sinds 2002 AIVD).
De CID was in die vooroorlogse periode gecombineerd met de militaire inlichtingendienst. De Duitse inval in de meidagen van 1940 maakte een einde aan het bestaan van de CID. De overheid meldt dat de archieven van de dienst verbrand werden, om ze niet in handen van de Duitsers te laten vallen.
Echter over de jaren 1919-1939 zijn Geheime CID rapportages van honderden personen bewaard gebleven, compleet met voor- en toenamen, geboortedata en woonplaatsen, hun onderlinge verbanden en hun ‘extremistische’ activiteiten (soms zelfs ook beroepen en adressen). We beperken ons tot de groepen en organisaties waarin Leo voor komt.
In 1933 staat hij, als 22-jarige reeds vermeld als Anarchist en actief lid van de Vereeniging voor Sociaal Anarchistische Actie (SAA), broer Wim wordt nergens genoemd, al dat gediscussieer was hem ook te theoretisch. Hij was meer een man van de daad. 

In ’34 had de financiële crisis zich over Europa verspreid en verdiepte zich hier nog altijd. Voor de stempellokalen stonden de werklozen in rijen (oplopend tot 480.000 in 1936). Hun geloof in kapitalisme en welvaart vervloog met de dag. Het besef buiten het arbeidsproces te staan gaf hen een verpletterend gevoel van machteloosheid, wat nog versterkt werd door de gebeurtenissen in Midden-Europa. Hitlers machtsgreep lag anderhalf jaar achter hen en het fascisme raasde bij de oosterburen.

Via de SAA was Leo in 1935 actief in het ‘Comité tegen Militaristische Werving’. Zoals gezegd was hij overtuigd pacifist en zou zich eveneens via de SAA, in de jaren 1935-37 nog verdienstelijk maken in het ‘Strijdcomité tegen elken oorlog’ waarbij het toen vooral ging om al dan niet partij kiezen - vóór of tegen - Italië of Abessinië (huidige Ethiopië). Men kwam na eindeloze discussies tot de mening: “dat elke oorlog in het belang van het kapitalisme is en in nadeel der Internationale arbeidersklasse”.

Leo was in de vroege zomer van 1934, bij één van de vele linkse bijeenkomsten, voor het eerst in contact gekomen met de Groep van Internationale Communisten (GIC).
Het ideaal van de GIC was een geheel door arbeidersraden bestuurde maatschappij, waarbij de arbeidersklasse zichzelf bewust diende te worden van de noodzaak het kapitalisme te overwinnen; Radencommunisme genoemd. Een stroming binnen het marxisme, begin jaren '20 ontstaan, waarin arbeidersraden op bedrijfsniveau werden gezien als de primaire vorm van revolutionaire organisatie; zij zouden de staat vervangen. Radencommunisten verwerpen het idee van een voorhoedepartij.

De hele herfst, winter en voorjaar ’35 kwam Leo ’s avonds bij kameraden thuis, of zij bij hem. De discussies duurden meestal tot middernacht en waren zeer fundamenteel. Wat op die avonden niet verteld werd leerde hij zichzelf uit de geschriften van de GIC die hem in handen gedrukt werden (uiteindelijk een koffer vol, die hij z'n leven lang mee sleepte); in de kantlijn voorzien van eigen conclusies en commentaren. 
De GIC hechtte namelijk totaal geen waarde aan elkaar dom napraten, ze stimuleerde zelfstandig nadenken. Ze verspreidde geen leuzen maar kennis over de marxistische maatschappijvisie. Dat gebeurde geenszins vanuit een zuiver wetenschappelijk oogmerk en al helemaal niet louter toevallig. De ervaringen van de bolsjewistische revolutie dwongen de groep simpelweg om helemaal van voren af aan te beginnen met de studie van het marxisme. Zo’n studie achtte zij van levensbelang voor het voortbestaan van de arbeidersbeweging.

Leo in 1936 met boekenkraam vol Radencommunistische lectuur en pamfletten



Zijn meest bewonderde leermeester hierbij was Henk Canne Meijer, door groep- en tijdgenoten, zoals Ben Sijes “met recht de ziel van de GIC” genoemd. “Canne Meijer was van oorsprong metaalarbeider maar werkte zich later op tot ‘onderwijzer ener lagere school’. In de groep onderscheidde hij zich door zijn didactische begaafdheid waarvan onnoemelijk veel kameraden de vruchten hebben geplukt. Uit zijn pen vloeiden onder andere verhelderende artikelen die wezenlijk bijdroegen aan een beter begrip van de marxistische methode”.
De groep hield zich vooral bezig met de wijze waarop de communistische maatschappij ingericht zou moeten worden, uitgaande van de gedachte dat de arbeiders volledig dienden te beschikken over hun arbeidskracht, de productie en distributie. De leden - aanhangers - werden niet geacht acties te organiseren. Zij namen wel deel aan straatdiscussies en colporteerden bij stempellokalen voor werklozen, met het stencilkrantje ‘Proletenstemmen’.
Dit wekelijkse krantje, samengesteld - door een kleine kern - waaronder Leo - in een bezet pand aan de Amsteldijk, was van begin tot eind in arbeiderstaal geschreven.
In ‘Kritiek, jaarboek voor socialistische discussie en analyse’ wordt hij beschreven als “een geestige en knappe Amsterdamse kameraad, die als geboren pamflettist moeiteloos en trefzeker de uitdrukkingen en voorbeelden vond die het meest overtuigden en in het hoofd bleven hangen”.

Via de GIC kwam Leo toen met regelmaat over de vloer bij eerder genoemde Henk Canne Meijer (1890-1962), David Wijnkoop (1879-1941) en zelfs enkele keren bij Rik en Henriëtte Roland Holst (1869-1952). Waar hij overigens nooit aan tafel werd genodigd om een hapje mee te eten van de karige maaltijden. Hij mocht letterlijk staan toekijken. Wijnkoop zou reeds in juli ’40 moeten onderduiken, met als schuilnaam De Vries. Na zijn begrafenis op Driehuis-Westerveld stonden rechercheurs van politie de persoonsbewijzen van de honderden rouwende bezoekers (waaronder Leo) te controleren. Zij zeiden "een zekere De Vries" te zoeken...
Daarnaast raakten Leo - en broer Wim - meer dan bekend, zelfs enkele jaren bevriend - met ex GIC-lid Ben Sijes (1908-1981) oorspronkelijk electrisch lasser van beroep (die de Februari-Staking in ’41 van nabij meemaakte en later ook ondergedoken zat). Ben zou later omschreven worden als: “een Amsterdamse Jodenjongen en een eigenwijze radencommunist" die zich na de oorlog ontwikkelde tot een opvallend historicus en RIOD medewerker. Gebruik makend van 'oral history' zou hij de nazi-gruwelen in een aantal indrukwekkende boeken schetsen. Door zijn samenwerking met Simon Wiesenthal kreeg hij internationale bekendheid bij het opsporen van oorlogsmisdadigers.
Ben Sijes zou zich in die naoorlogse jaren óók een periode ontfermen over de schoolopleiding van de vaderloze Roland, enig zoon van broer Wim - die in maart ’45 als verzetsstrijder (Politischer Schutzhaftling) in het nazi-Duitse sub-concentratiekamp Langenstein Zwieberge
 zou omkomen.

Terug naar Amsterdam en het jaar 1935. Op dringend advies van Ben Sijes en broer Wim (nota bene in Laren samenwonend met Tonnie, een zus van Greetje) verbrak Leo - bijna overspannen door alle pesterijen - half april z’n opgedrongen huwelijk en begon via z’n politieke contacten een nieuw leven. Overigens was 't allemaal extra ingewikkeld, omdat zus Doortje kort ervoor ook nog eens getrouwd was met een broer van Greetje en Tonnie. 

Bij dat nieuwe leven hoorde ook een andere baan, zelfs in een andere stad. Als 23-jarige werd hij 'administratief medewerker, hoofdzakelijk in de buitendienst' bij het Algemeen Administratie- en Rechtskundig Advies-Bureau 'Aarab' van accountant H. de Beer, Merelstraat 52 in Leiden. Alwaar hij ruim acht jaar zou werken. Het getuigschrift, gedateerd 30 sept.1943 meldt: “Met ijver en nauwgezetheid deed hij de hem opgedragen taak en gaarne verklaar ik dat ik hem heb leren kennen als betrouwbaar en plichtsgetrouw”.

Inmiddels lag broer Wim ook in scheiding en kwam terug uit schildersdorp Laren. Vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1939 waren ze samen met kameraden begonnen met het bekladden, met witkalk, van een verkiezingsleuze op zo'n hoge ronde fabrieksschoorsteen. Ze waren met te grote letters begonnen en kwamen onderaan niet uit. De laatste letters kalkten ze toen maar op de stoep... Geen geslaagde actie, wel veel lol!
Hetzelfde jaar stelde de inlichtingendienst 
(CID) een laatste lijst op van links-extremistische personen geordend per gemeente en met alfabetische klapper. Ook hierop zien we Leo nog vermeld.

Leo zou in april 1941 in de Molenbeekstraat 2 II gaan wonen. Begin juli ’42 kreeg hij nieuwe Joodse onderburen. Het oudere echtpaar Abraham (manufacturier) en Roosje Englander- Berkleij. Zij werden bij een razzia op een late namiddag weggevoerd. Roosje had zwaar suikerziekte en was niet in staat haar eigen koffer te dragen. Ze werd daarom door een NSB'er geslagen. Haar buurman, Leo Haagen, bood aan haar bagage te dragen, wat door een Duitser werd toegestaan, die hem honend een jodenvrind noemde [bron: Digitaal Monument Joodse Gemeenschap]. Aangezien het al spertijd was geworden, bood een jonge SS’er aan, hem op de motor terug naar huis in de Rivierenbuurt te brengen. Leo kon niet weigeren, maar schaamde zich dood achterop zittend, aangezien te kunnen worden als nazi-vriendje... Het lot van z’n buren was onbeschrijflijk veel erger. Zij werden op 20 maart 1943 in Sobibor vermoord (op de dag van aankomst vergast). 

Ruim twintig jaar later - Leo had toen een kapsalon in Zandvoort met ’s zomers veel Duitse klandizie - zat diezelfde Duitse SS’er voor een scheerbeurt bij hem in de stoel. Het scheermes hing enkele vervaarlijke seconden boven zijn strot… De man had hem inmiddels ook herkend en vroeg na - de goed afgelopen – scheerpartij om de allerduurste en uitgebreidste behandeling, inclusief Haarschneiden en Föhnen. Vervolgens maakte hij nog deze foto, die later per post werd thuis bezorgd. Er zat een briefje bij, waarin hij verhaalde dat hij kort na dat motorritje in ‘43 naar het Oostfront was overgeplaatst.

Gedurende de tweede helft van de oorlogsjaren verbleef Leo, dan nog vertegenwoordiger van beroep, vaak in de buurt van Leiden (waar ook zijn werkgever kantoor hield) en waar hij een relatie begon met de directrice (of leidinggevende) van een weeshuis, Wikje Pot. Zij was officieel psychiatrisch-verpleegkundige. Hij wist door allerlei handeltjes telkens o.a. aan extra eten voor, zowel het weeshuis als z’n familie te komen. Zus Doortje was met haar gezin verhuist naar Amersfoort en werd óók regelmatig door hem verrast. Overigens overnachtte broer Wim ook vaak bij haar thuis, als hij met nieuwe onderduikers op weg was naar Ds. Ader in Nieuw-Beerta. Een linke actie, want haar buren waren fanatieke NSB’ers.
Wim noemde zich toen kunstschilder (maar verdiende de kost als grossier in koloniale waren) en was actief in het verzet. Behalve twee Joodse onderduikers thuis (Mauritsstraat), deed hij veel koerierswerk. Onder andere dus voor de groep van Ds. Ader, waarheen hij onderduikers vanuit A’dam begeleidde.
Op woensdag 19 april 1944 werd Wim door de SD (Sicherheitsdienst) thuis gearresteerd, evenals de onderduikers. ‘t Was verraden. Toen dominee Ader later in Wim's huis kwam, was ‘de Grüne polizei' net vertrokken. Alles was overhoop gehaald en stuk geslagen". Via Kamp Vught, sub-kamp Fliegerhorst Venlo, Sachsenhausen en Buchenwald kwam hij als politiek gevangene in Konzentrationslager Langenstein - Zwieberge in de Harz terecht, alwaar hij op 29 maart 1945 van uitputting en ondervoeding stierf, slechts 34 jaar oud. Oh ironie, elf dagen later werd het kamp bevrijd. De familie hoorde via, via van zijn dood op 16 juni 1945. Een feit waar broer Leo eigenlijk nooit overheen zou komen.

Na de oorlog werkt Leo als ‘handelsreiziger in manufacturen’ zoals op zijn Persoonskaart vermeld staat. Dit was dus bij de Firma C. de Wilde aan het Singel 163a in A’dam, als hoofdvertegenwoordiger in ‘Céleste Corsetten en Bustehouders’. Met zijn vlotte babbel en zéér verzorgde uiterlijk ging dit hem erg goed af.

Eind 1953 krijgt An een galblaasontsteking, waardoor ze niet direct door heeft dat ze zwanger is (een grote wens). Op 24 maart 1954 wordt er getrouwd. Vijf maanden later ziet hun dochter Henriëtte (vernoemd naar Henriëtte Roland Holst, bij wie Leo in z’n politieke leven over de vloer kwam), het levenslicht. An wordt kort erop in de Ursulakliniek te Wassenaar geopereerd aan de galblaas en de baby wordt opgevangen in het tehuis voor ongehuwde moeders.

Ze besluiten vanwege de kinderen de drukke stad te verlaten en verhuizen naar Zandvoort. Hier wonen ze een jaar in bij de familie Vogel, een éénkamerwoning in de Dr.Gerkestraat 2, met geïmproviseerd keukentje boven ’t bad, alwaar zoon Martin zich aankondigt, maar geboren wordt in het Haarlemse Diaconessenhuis, gelegen aan de Paterslaan.
Leo werkt
tussen 1 nov.1954 en 12 nov.1955 als herenkapper bij Maison Gerrits dames- en herenkapper, Zeestraat 30 te Zandvoort (gelokt met overname). ‘t Getuigschrift noemt hem “correct, eerlijk en bekwaam”.

Begin '55 kunnen ze extra bij verdienen door de kantine van de Zandvoortse Sportterreinen op Duintjesveld (hockeyclub) te pachten (inclusief het onderhoud van sportvelden en kleedkamers, waarvoor zo'n 350 gulden per seizoen vergoed wordt). Leo krijgt dd 25 jan.'56 hiertoe officieel bedrijfsvergunning 'Verlof B' van de Sociaal-Economische Raad. In het document wordt An genoemd als leiding gevende van dit lokaal (de kantine).
Tussen 12 nov.1955 en 8 sept.1956 werkt Leo als huisknecht, naar volle tevredenheid, in 'het Huis in de Duinen', tegen een salaris van 250 gulden per maand. Ontslagaanvrage was gegrond op positieverbetering.

Eind 1955 verhuizen ze naar hun eerste volledige eigen woning in de mooie en toen op stand gelegen Oosterparkstraat 16. In feb.1956 nemen ze, naast Duintjesveld ook nog het beheer van het clubhuis Tennisclub Zandvoort voor het seizoen 1956 (15 maart tot 30 sept.) over, tegen een vergoeding van 400 gulden, exclusief de verkoop van spijzen en dranken.
En krijgen ze dd 29 okt.1956 op beider naam vergunning van de KvK tot het vestigen van het Corsettenvervaardigingsbedrijf op het perceel Dr.Gerkestraat 2. Ze werken twee jaar lang - zeven dagen per week - enorm hard - maken lange dagen, maar weten zo goed te sparen voor hun droom: een eigen bedrijf.

 

Half september ’56 stierf onverwacht in het Zandvoortse dorpscentrum - Swaluëstraat No.15 - coiffeur Arend Kuik (1902-1956). Tja, de een z’n dood is de ander z’n brood...
Hier lag plots een mooie kans die Leo en An niet konden laten schieten; e
n zo huurden ze per 1 jan.1957 deze kapperszaak van Gerritje Kerkman, de 'weduwe' Kuik. Hiertoe kwam eind dec.'56 bij volmacht toestemming van Engeltje Kuik, wonende te Remuera, Auckland Nieuw-Zeeland. Per 24 jan.1957 legde "mevr. C.G. Hogkamer-van de Werff (eigenaar van het pand) een 'verklaring van geen bezwaar' af, dat mej. Kerkman de kapperszaak verhuurt aan de Heer Hage en bij het verlaten van de woning, deze ter beschikking komt voor de Heer Haagen".
In de loop van ‘58 verhuist ook het gezin naar de woning boven en naast de kapsalon. Het op het oog statige pand - maar rond de eeuwwisseling als revolutiebouw met halfsteensmuren opgetrokken - werd zoals gezegd gehuurd van mevr. Hogkamer, die naast hen woonde en wekelijks de huur kwam beuren. Was deze bij aanvang nog 7,45 gulden, zo zou deze oplopen tot 22,72 in 1965, 33,10 in 1971 en 35,09 gulden per week in 1972, aldus bewaard gebleven huurbriefjes.
De Herenkapsalon bestond uit een voormalige kamer-ensuite. Met achter de ruime wachtkamer en vóór de salon. Deze telde drie vaste wastafels met kapstoelen en twee losse stoelen. Leo begint met een kappersknecht en een leerling, maar al snel heeft hij vier man personeel in dienst. Vanwege z’n sociale betrokkenheid neemt hij ook - via de Amsterdamse reclassering - ontspoorde jongens in dienst. In tien jaar tijd wordt z’n vertrouwen slechts éénmaal beschaamd.
Twee andere knechten beginnen, als dank voor hun complete opleiding (met voor die tijd ’n royaal weekloon) een eigen kapperszaak in het dorp (met medeneming van een deel der jongere klanten).
Leo is sowieso te royaal naar z’n knechten. Behalve dat zij (gratis) volledig in de kost zitten, met elke dag een keur van verse vleeswaren bij de broodmaaltijden, zijn er tijden dat zij meer loon (en fooiengeld) meekrijgen dan hijzelf overhoudt. Een gemiddeld gezin kon zich in die tijd alleen op zondag verse vleeswaren veroorloven.

Begin jaren ’60 kunnen ze de zaak kopen en besluiten deze meteen te moderniseren, om zich te onderscheiden van de Zandvoortse collega’s (Schaap en Spoelders, beiden in de Haltestraat). Hiervoor gaan ze een lening aan bij de Volkskredietbank (dat was eens en nooit meer). 
De gemeente schuift de klandizie aan hem toe, van de kinderen uit ’t Kinderhuis Kijkduin, evenals later de kinders uit de Amsterdamse bleekneusjes kolonie in de Kostverlorenstraat. Uitbetaling geschiedt eens per kwartaal op de Gemeentesecretarie, aan hetzelfde loket als waar de wekelijkse werklozenuitkeringen werden uitgekeerd. Na urenlange wachttijd kreeg je dan uiteindelijk ’t zuur verdiende bedrag overhandigd door een arrogante ambtenaar, die deed alsof ie ’t eigen zak moest betalen…  Leo hield ’t na één zo’n behandeling voor gezien en stuurde in ’t vervolg An voor dit vervelende klusje.

In de zomer van ’58 gaat Henriëtte als 4-jarige (normaal was toen 10 jaar) al op zwemles – omdat ze op ’t strand altijd zo diep de zee inliep - in Riche (Noorderbad, in de jaren ’90 afgebroken) aan de kop van de Zeeweg, waar kanaalzwemmer Van Hemsbergen dan privélessen geeft. 

Het ijskoude water werd zes meter diep uit de grond opgepompt en werd pas aangenaam als de zon er wekenlang op geschenen had. Dan was ’t water trouwens niet meer helder, maar meer een groene dikke drap.
Overigens is het een hele toer voor An met twee kinders op de fiets, met altijd wind tegen, zes dagen per week (vanwege het korte seizoen). De zomer dat Martin, een tenger ventje, op zwemles ging was ‘t zo koud, dat hij krap zes weken echt les kon krijgen en half verdinkend toch z’n verplichte afzwembaantjes voor elkaar kreeg (desondanks zou hij later tot Neerlands zwemtop behoren).
In later jaren krijgen de kinderen een zomerabonnement en zijn dan maandenlang, hele dagen in het bad te vinden. Ze gaan er dan ook zelf op de fiets naar toe.


Het gezin bewoont het bovenhuis - boven de kapsalon - met vier kamers, plus een keukentje en eenvoudige wc/douche beneden met aan de achterzijde een grote tuin. In koude winters is die douche vaak dicht gevroren. Het gezin gaat  dan eenmaal per week naar het Badhuis, waar je voor een dubbeltje warm kon douchen en voor een kwartje een bad kon nemen (met beperkte tijdsduur). Verder waste je je dan met een washandje en een teiltje warm water in de keuken.
Het pand werd aanvankelijk verwarmd door twee kolenkachels, waarvan er één in de kapsalon stond en de ander in de huiskamer. Hiertoe kwam dan eind oktober kolenboer Beekhuis, die dan zoveel mud antraciet in de schuur stortte, waarmee je de hele winter voort zou moeten kunnen. Lukte dat niet, dan werd er telkens nog een goedkoper zakje eiercokes (samengeperst antracietgruis) bij gehaald. Uit principe, maar door nood geboren, werd de kolenkit slechts eenmaal per dag gevuld. Voor de aanmaakhoutjes, kocht Leo (in natura) bij van Ree de houten rollen op, waar eerder linoleum omheen gewikkeld was geweest. Overigens was ook de schuur en later de schutting (tegen de rommelige illegale aanbouw van 't ouderlijk huis van Janneman ofwel latere race-coureur Jan Lammers) daarvan opgetrokken.
De slaapkamers waren en bleven onverwarmd (alleen bij extreme kou mocht het gevaarlijke elektrische straalkacheltje een uurtje aan. Veel hielp dat niet, want door de halfsteensmuren met jute betengeling, beplakt met krantenpapier en een behangetje, vloog de warmte naar buiten. Zo gebeurde het regelmatig, dat als je 's avond met nat haar naar bed ging, je de volgende ochtend - ondanks drie wollen dekens plus dikke flanellen lakens - wakker werd met bevroren haar!
Gekookt werd er op gas, waarvoor je vooruit diende te betalen door middel van gasmunstjes. Deze kocht An bij de melkboer naast 't Oude Mannenhuis. Aanvankelijk op een enorm groot tweepits gietijzeren gasstel en daarnaast een oranjerood geëmailleerd petroleumstel (met name 'draadjesvlees' ofwel sucadelapjes, vanwege de lekkere jus), later op een Atag fornuis met oven. Pas na de komst van 't aardgas (uit de bel bij Slochteren) werden de kolenkachels vervangen door gaskachels en kwam er op 27 dec.1966 ook in de keuken een extra kachel via de Firma Loos v/h Weber (kosten 245 gulden, plus 26,40 materiaal en 21 gulden arbeidsloon).
Vanuit de lichte gezellige en ruime huiskamer keek je via de ruime veranda de Haltestraat in, met uitzicht - via de Willemstraat - op de busbaan (huidige Louis Davidscarré).
Hier kondigde tweede zoon Albert (vernoemd naar schrijver Albert Verweij) zich aan. Hij wordt eveneens geboren in het Haarlemse Diaconessenhuis. De oudste twee kinders worden dan voor twee weken ondergebracht in het kindertehuis aan de Poststraat. Als An thuis komt, haalt ze hen direct op. Martin, altijd al een slechte eter, blijkt tien dagen vrijwel niets gegeten te hebben en al hun speelgoed is gestolen.
 

Thuis is een wasmachine dan nog toekomstmuziek en An doet zowel de gezinswas als alle witte handdoeken uit de kapsalon op de hand. De witte was stond dan een nachtlang in een enorme zinken wasketel op het fornuis te koken. De vijftig kilo zware ketel moest ze er dan aftillen en vervolgens kwam de gekleurde was in hetzelfde sop. Uitspoelen gebeurde bij de waterpomp in de achtertuin (dat scheelde weer water via de meter).
Sinds 1961 huurde An voor één ochtend in de week, zo’n dubbelklots-wasmachine, met handdraai pers. Die werd dan op een steekkarretje op maandagochtend om acht uur gebracht en om twaalf uur weer opgehaald. Pas vier jaar later kon ze dezelfde machine (uit de verhuur, evengoed nog 283 gulden) aanschaffen. De zware kookwasketel bleef in gebruik tot 1975 ! Ondanks 't vijf jaar eerder opgelegde verbod van de vrouwenarts (na een zware verzakking en dito operatie, waarna An ruim zes weken in het Haarlemse Elisabeth Gasthuis opgenomen was geweest), om nog zwaar te tillen...
Een ijskast deed z’n intree in de zomer van 1964 en een TV in ‘66. Overigens beide aangekocht bij de Firma L. Drommel in de Helmerstraat 33 te Zandvoort en uiteraard contant afgerekend (568 gulden voor de ijskast).



An beheerde nauwgezet de huishoudfinanciën; in een hele rij Mocconapotjes werd wekelijks een bedrag gestopt voor de: huur, verzekeringen, begraaffonds, etc. Hetwelk toentertijd ook nog aan huis werd geincasseerd.

In 1961 logeren An’s jongste zus Ria met dochtertje Yvonne (enkele weken jonger dan Albert) plus oma, de hele lange zomer bij hen in huis. ’t Komt niet eens bij An op om een kleine tegemoetkoming in de kosten te vragen en aangeboden wordt ’t ook niet. Ze gaan vaak naar het strand, de Vijverhut (waar nu Center Parcs zit) en lopen door de Waterleidingduinen naar de Oase bij Vogelenzang.
Uiteraard gecompleteerd met de nodige versnaperingen. Aan ’t eind van de zomer heeft ze nog maandenlang tekorten in al haar ‘potjes’ en moet ze extra geld uit de kapsalonkassa bijvragen. Iets wat haar eer eigenlijk te na is, maar nog altijd beter dan de schande om niet te kunnen betalen bij een geldophaler aan de voordeur.
Extra wrang wordt het als blijkt dat Ria’s echtgenoot hun woning in de 1e Schinkelstraat in Amsterdam prachtig heeft opgeknapt en An wordt bedankt met één koffiekopje en een bordje (zelf uit te breiden tot een servies). 


Maandenlange logeerpartijen zou ze nooit meer aangaan en vanaf de zomer van ’62 besluit ze extra verdiensten te genereren met het verhuren van ‘Zimmer mit Frühstück’. Overigens heel gebruikelijk in Zandvoort.
De ruime huiskamer en twee slaapkamers worden verhuurd aan jaarlijks terugkerende badgasten. In de diepe huiskamerkast (het huis liep schuin weg) legt Leo een wastafel aan met warm-en-koud stromend water. De slaapkamers hadden al wastafels.
Het gezin woont dan in de keuken en ’s avonds wordt de wachtkamer van de kapsalon gebruikt als zitkamer. Overigens niet heel vervelend; sommige Zandvoorters bivakkeerden toen zelfs in de schuur cq kippenhok (pas twee decennia later zouden die schuurtjes verhuurd gaan worden als vakantiehuisjes).
Dankzij deze extra inkomsten kan er begin ’63 een auto - een Fiat 1100 - worden gekocht. Sindsdien gaat het gezin elke zondag ofwel naar oma (An’s moeder) in Amsterdam, terwijl Leo dan naar voetbalwedstrijden van DWS in het Olympisch stadion gaat (zijn ouders waren al overleden, broer Wim als verzetsman omgekomen en zus
Doortje in okt.'53 geëmigreerd naar Australië).



Of maken ze uitstapjes door heel Nederland; bezoeken vrijwel elk museum, dieren- en speeltuin en niet te vergeten, de Efteling.
Eind sept.’64 gaat het gezin voor ’t eerst op vakantie. Via een klant wordt er voor een week een eenvoudig maar gezellig duinhuisje gehuurd nabij Ouddorp op
Goeree-Overflakkee. In de jaren eropvolgend gaan ze in de oktobermaand één tot twee weken naar Susteren in Limburg (foto in grot Valkenburg) en Herpen in Noord-Brabant. Vanaf ’67 volgen vele vakanties - met de tweede auto, een Saab (met tweetakt pruttelmotor) - bij Traben-Trarbach aan de Moezel in Duitsland, nabij Burg Beaufort in Beefort in Luxemburg en langs de Amblève in de Belgische Ardennen.
De kinderen moesten hiervoor altijd vrij van school krijgen, wat meestal geen probleem was. Want ook de kapsalon moest het, net als vele Zandvoortse bedrijven, voor een groot deel hebben van het zomer toeristenseizoen.
 



Leo spreekt goed Duits en houdt zichzelf goed op de hoogte van de nieuwste snufjes. Z’n Zandvoortse clièntele wil eigenlijk alleen maar zéér kort geknipt en/of geschoren, voor zo weinig mogelijk geld. De Duitsers willen het hele pakket, van scheren (’n crème, compleet met warme doeken), wassen, massage met Birkenwasser, haarschneiden, een lekker geurtje en föhnen, waaraan uiteraard ook een heel ander prijskaartje kon hangen.
Met deze vaardigheden doet Leo ook mee aan wedstrijden en eindigt altijd hoog op de ranglijsten. Daarmee trekt hij ook bekende Nederlanders aan als klanten, zoals Johnny Jordaan, Toon Hermans en diverse kunstenaars. Via de laatsten kwam er - als betaling in natura - ook kunst in huis. Overigens 'betalen' meerdere klanten op die manier; bloemwinkelier Cassee van de Krocht met een struik bloemen en Kees 'de Reu' regelmatig met een paar kilo vers gevangen garnalen.
Leo
schaakt op hoog niveau en bouwt een omvangrijke postzegelverzameling op, uit landen van het voormalige Oostblok. Hiervoor struinde hij niet alleen postzegelveilingen, maar ook grote venduties af. Waardoor er ook antieke meubels in huis komen en het rotan zithoekje een tweede leven in de tuin krijgt.

An kan mooi zingen en is lid van de socialistische zangclub ‘de Stem des Volks’, waar ze vaak de solopartijen mag zingen. Zandvoort is dan echter nog altijd een gesloten gemeenschap. Zolang de andere koorleden denken dat zij er een is van ‘Blanke Bil’ of weer een andere dorpse bijnaam, wordt ze als één der hunnen  opgenomen. Als blijkt dat ze Amsterdamse import is, worden prille vriendschapsverbanden direct verbroken.
Überhaupt diende je als import-middenstander op te passen met wat je deed. Dat gold de kinderen, maar ook de ouders. Een patatje eten bij Fritures d’Anvers op het Kerkplein kon alleen binnen, want wat als klanten je zagen lopen; als je patat kon kopen dan betaalden zij blijkbaar teveel voor hun knipbeurt en liep je gevaar hen als klant te verliezen. Een glaasje Ranja op het strand, kon ook niet!
Boodschappen deed je alleen bij eigen klanten, ook al waren die winkels verder uit de buurt.


  Het feit dat het huis (en de zaak) in de Swaluëstraat aan de achterzijde grensde aan Zandvoorts zogenaamde A-sociale buurtje maakte het gezin Haagen in de ogen van enkele kortzichtige onderwijzers van de Hannie Schaftschool ook tot A-socialen. Dat ging zover, dat als er iets mis was ’t wel die van Haagen geweest zouden zijn...
Toppunt van al was het voorval toen Albert bij juffrouw Douwes-Dekker in de tweede klas zat. En het melkgeld (schoolmelk) volgens haar gestolen was. Zonder enige navraag of onderzoek stuurde het serpent een klasgenootje achter hem aan om hem en het geld terug te halen. Albert was al thuis en wist van niks, waarop An direct op hoge poten naar school ging... En wat bleek, het geld lag in een ander bureaulaatje, maar zij kreeg een grote bek en absoluut geen excuses. Enkele maanden eerder – Albert zat toen nog in de eerste klas bij juffrouw Kok-Bolman - was hij ziek thuis na een liesbreuk operatie. Juf kwam op huis-ziekenbezoek en liet zich stomverbaasd ontvallen: “Wat is ’t hier schoon en gezellig”. Zo zie je hoe lang die misplaatste vooroordelen nawerkten.

Meteen na de herfstvakantie gaat Albert naar de Aerdenhoutse Vondelschool - en waar je kouwe kak zou verwachten - niets van dat al! De oudste twee die ook hun hele lagere schooltijd met al die vooroordelen te maken hebben gehad (behalve in de klas van juf Engels en Ger Loogman), gaan naar de Mr.Gerhard Mulo in Haarlem (Raaks, waar nu het stadskantoor staat). Henriëtte die op de Zandvoortse Gertenbach zelfs een jaar gedoubleerd heeft, bloeit hier enorm op en zal met hoge cijfers het diploma behalen, waarna zij de Havo-HBS met goed gevolg doorloopt en verder zal studeren.


De kinderen zitten sinds ’66 op wedstrijdzwemmen bij de Heemsteedse polo club HPC. Al snel bleek Martin veel talent te hebben en de zware trainingen ook met plezier te doen. Albert daarentegen had wel ’t talent maar niet de inzet (hij was veel te speels). Henriëtte trainde weliswaar hard, maar bleef de eeuwige derde of vierde.
Het hele gezinsleven draait vervolgens alleen nog om het zwemmen. Met de eerste bus ’s ochtends vroeg naar het Sportfondsenbad in Haarlem, tussen de middag opnieuw een uur trainen en ’s avonds een krachttraining, duurloop in de duinen of nog in het bad in Heemstede. In de weekenden waren er regionale of landelijke wedstrijden.

Op de weinige vrije zondagen gaan ze met 't hele gezin naar Vinkenveen met tentje, roeiboot en rubber opblaasboot en wordt er vooral gevist, gelezen, gevaren en gezwommen. Later zal de houten sloep in Mijdrecht komen te liggen.
 
Kortom, h
et was een hecht gezin, waar veel waarde werd gehecht aan sport, studie, cultuur en samenzijn.

Het socialistische gedachtengoed blijft beiden immer boeien. Vanaf de jaren ’70 reizen ze samen door heel Oost- en Noord Europa. Daarnaast bezoeken ze tweemaal Leo’s zus Doortje in Australië en beoefenen hun gezamenlijke hobbies: geologie en moestuinieren. 
 

 

In Zandvoort is Leo begin jaren ’70 de initiator cq voortrekker van de Zwembad Actie, daadkrachtig bijgestaan door An. De bestlopende (maar tevens meest arbeidsintensieve) actie was die van de tegeltjes met je eigen naam erop, die de bevolking kon kopen voor 25 gulden. De tegels voor inwoners waren blauw en die voor het bedrijfsleven rood. De laatste werden ingemetseld in de hal en de andere binnen op een wand bij het terras.
Na realisatie van en bij de opening van zwembad De Duinpan dd 15 juni 1974 krijgt An een bijzondere speld-broche van verdienste uitgereikt door burgemeester Nawijn (foto) en is Leo jarenlang lid van de Raad van Bestuur van dit Sportfondsebad (met Zandvoortse notabelen) en secretaris van zwemclub 'de Zeeschuimers'.
Het grote zwembadcomplex met twee binnenbaden, een Olympisch formaat wedstrijd-buitenbad, springtoren met extra diep bad, kinderbadje, ligweiden en tennisbanen, moet slechts 14 jaar later al plaats maken voor de aanleg van vakantiepark Eldorado (huidige Center Parcs). Leo sukkelt dan al een poosje met zijn gezondheid, maar dit gegeven, heeft hem beslist geen goed gedaan. Hij sterft één maand (op zondag 12 juni '88) vóór afbraak van zijn 'kindje en levenswerk'.


Overigens waren die jaren '70 op meerder gebied druk en vol veranderingen. De gemeente wilde de Swaluëstraat en 't buurtje erachter, met veel oude vissershuisjes, maar ook onbewoonbaar verklaarde pandjes omtoveren tot een luxe villawijkje (midden in het centrum...).
Huizen, erf en panden van de weduwe Hogkamer (die zo'n beetje alles in een straal van 50 meter bezat) werden opgekocht en Leo's kapsalon uitgekocht, voor het luttele bedrag van zo'n 30.000 gulden. Hier zou als eerste de grote villa annex kantoor van architect Wagenaar gebouwd worden.
Het gezin Haagen verhuist binnen Zandvoort naar 't Tranendal (een jaren '50 nieuwbouwwijkje tussen de zuidduinen en uitvalsweg Gerkestraat), alwaar ze in dec.1975 een woning met voor- en achtertuintje betrekken in de Zr.Dina Brondersstraat 10. Dochter Henriëtte zal van hieruit één maand later trouwen.

An blijft na het overlijden van Leo in Zandvoort wonen en bezoekt tot twee jaar voor haar overlijden, om het jaar - enkele maanden - haar geëmigreerde en geslaagde zoons in Australië.
't Meest geniet ze daar samen met hen van 'outback-camping'; zomaar je tentje opzetten in de vrije natuur, water en zelf gevangen vis uit een kreekje, 's avonds kampvuur en met een goudzeefpan op zoek naar goud (ze vond snippertjes), terwijl bij dat al de kangaroes om je heen springen. Gelukkig kan zij óók aanwezig zijn bij hun trouwfeesten.

Martin, inmiddels in Melbourne omgeschoold van duiker-lasser tot fysiotherapeut, trouwde in 1992 in Montrose (Victoria) met accountant Bernadette (met van oorsprong Engels-Schotse ouders). 
Albert, ergonomisch technisch ingenieur en inmiddels directeur-eigenaar van een rolstoelfabriek (en uitvinder), huwde vijf jaar later in Croydon (Victoria) met account-manager Rita (met van oorsprong Armeense ouders). Zij kregen twee zoons (Keenan en Jareth) in Melbourne. 

Voor de Milleniumwissel kwamen beide zoons met gezin naar Nederland om gezamenlijk met An en het gezin van dochterlief, Kerst en ouderwets Hollands Oudejaarsavond te vieren.  


Daarnaast is An tot een jaar voor haar dood zeer actief in het Zandvoortse verenigingsleven (na ruim 40 jaar hoort ze er eindelijk bij). Ze is lid van de volksdansgroep, de gymnastiek- en zwemvereniging. Ter ontspanning zingt ze vol overgave in het ouderenkoor en volgt diverse cursussen, zoals zilversmeden, keramiek poppen maken, kantklossen en Engelse spreekvaardigheid (om beter met haar Australische schoondochters te kunnen praten). 
An had een ijzeren geheugen voor liedteksten, gedichtjes, rijmpjes en spreekwoorden. Bij elke gelegenheid kwam er wel spontaan een toepasselijk iets uitrollen.

Enkele dagen voor haar dood is de hele familie nog - net op tijd - bij elkaar voor een laatste gezellige ontspannen maaltijd. An overlijdt op 79-jarige leeftijd op waardige wijze, aan de gevolgen van borstkanker, omringd door alledrie haar kinderen, hun partners en vijf kleinkinderen (de zesde op komst) plus drie "schoon" kleinkinderen. Haar as is uitgestrooid in 't Australische natuurgebied The Grampians. Zij was een zeer geliefde moeder, schoonmoeder, tante en oma! Een sterke vrolijke vrouw! 


Generatie 2 ( ouders )

 

Hermanus Hendrikus Stephanus (Herman) van Wereld, geb. Amsterdam 11 april 1898, meubelmaker, koetsier, meubelmaker, behanger, stoffeerder, veehouder, grondwerker, controleur, Amsterdam 10 dec. 1983, tr. 1e Amsterdam 20 juli 1921 (echtsch. ingeschr. ald. 12 sept. 1945) Johanna Hendrika (Jo) Bouweriks, geb. Amsterdam 18 maart 1889, krantensjouwer AKO, dagmeisje, kokkin, Blaricum, gemeente Laren N.H. 5 maart 1975, begr. Amsterdam, Zorgvlied aan de Amsteldijk 9 maart 1975, dr. van Gerrit Hendrik en Johanna Christina Maria Oostendorp; tr. 2e Amsterdam 26 nov. 1957 (echtsch. ingeschr. ald. 26 jan. 1968) Margaretha Cornelia Blom, geb. Nieuwkoop 22 maart 1927, Amsterdam 23 sept. 1972, gesch. echtg. van Floris van Harberden.

 

Uit het eerste huwelijk:
1. Hermanus Hendrikus (Herman) van Wereld, geb. Amsterdam, Wilhelmina Gasthuis 29 april 1922, electriciën, Amsterdam 6 maart 1999, begr. Amsterdam, Zorgvlied aan de Amsteldijk 10 maart 1999, tr. Amsterdam 14 juli 1949 Neeltje (Nel) Helmers, geb. Amsterdam 24 jan. 1920, kantoorbediende, directie secretaresse, Amsterdam 29 mei 2001, dr. van Willem en Trijntje Steeman.
2. Johanna Hendrika (Jopie) van Wereld, geb. Amsterdam 29 okt. 1923, radiofabriekarbeidster, Haarlem, wonende in Zandvoort 3 juli 1988, gecrem. Driehuis-Westerveld 7 juli 1988, tr. Amsterdam 16 dec. 1942 (echtsch. ingeschr. 1971) Teunis (Teun) Bernhard, geb. Sloten NH 11 juni 1914, boekdrukker; melkbezorger, zn. van Aart en Geertruida Koningen, rel.
26 okt. 1979 Herman Bernhard, geb. Amsterdam 17 mei 1912, liftjongen; transporteur; grossier in lompen; Casino exploitant in Baarle Nassau (en illegaal in de Valeriusstraat 177 A’dam), † Amsterdam, wonende te Zandvoort 8 maart 1983, begr. Amsterdam, Westgaarde, zn. van Hendrik en Jansje Koningen.
3. Hendrikus Johannes van Wereld, geb. Amsterdam 8 dec. 1924, ald. 2 febr. 1925.
4. Anna Hermina (An), zie I
5. Henrica Johanna (Ria) van Wereld, geb. Amsterdam 6 sept. 1929, Bennekom 26 okt. 2004, begr. Amsterdam, Zorgvlied aan de Amsteldijk 30 okt. 2004, tr. Amsterdam 1 sept. 1956 (echtsch. ingeschr. ald. 1973) Gerardus Marinus Petrus Legel, geb. Amsterdam 21 nov. 1924, ambtenaar GAK, Amsterdam 20 nov. 2001, begr. Amsterdam, Nieuwe Ooster 27 nov. 2001, zn. van Jacobus Johannes en Geertruida Maria Petronella Pul en gesch. echtg. van Johanna Margaretha Brouwer.

Uit het tweede huwelijk:
6. Margaretha Hermina van Wereld, geb. Amsterdam 25 febr. 1958.
7. Jacoba Antonia Margaretha van Wereld, geb. Amsterdam 26 jan. 1961. 

 

Herman wordt geboren in de Spuistraat 63, als 4e kind van de zes. Zijn vader verdiende de kost als schoen- en borstelmaker. ’t Was bepaald geen vetpot in dit rommelige huishouden. Zijn moeder hield ondanks de Amsterdamse bovenwoning kippen in huis. 
Als 3-jarig ventje werd Herman, wonende in de St.Nicolaasstraat 15 huis, ingeënt met het pokvirus, door het Amsterdamsch Genootschap ter Bevordering der Koepok-inenting voor Minvermogenden. Zo bewijst een ‘Pokkenbriefje’ van 7 maart 1901. De arts die dit briefje nauwgezet invulde vermeld dat "hij zich persoonlijk overtuigd heeft, dat zich daarna 9 koepokken hebben ontwikkeld, die een zodanig verloop hebben gehad, dat zij voorbehoeding tegen kinderpokken zooveel mogelijk waarborgen”.

Herman begon z’n werkzame leven als leerling meubelmaker, maar was als 19-jarige koetsier bij een fouragehandel, aldus het Militieregister. Hij werd vrijgesteld voor de Natonale Militie. Uitspraak omtrent geschiktheid dd 28 april 1917; zijn lengte is 1.72.9 mm en weegt 64,5 kg. Geeft bij medische keuring aan gebreken aan z’n benen te hebben, maar wordt wel geschikt geacht. Geeft zelf de Cavalerie als zijn voorkeur aan. Liefst niet bij de Infanterie vanwege ’pijnlijke voeten’. Men acht hem geschikt voor de Cavalerie en Veldartillerie. Uitspraak omtrent vrijstelling dd 8 september 1917 vanwege broederdienst. Wordt desondanks (mobilisatie WO I) per 9 april 1918 ingedeeld bij het 1e regiment Huzaren, als eerste gedetacheerd te Amersfoort, officiers paardenkamp. Per 20 maart 1919 ontslagen wegens vrijstelling voor goed". Van die zogenaamde gebreken aan zijn benen, zou overigens later nooit meer enige sprake zijn...

Daarna werd Herman weer meubelmaker, maar werkte 't langst als behanger - stoffeerder. Hij was een echte vrouwenliefhebber en kon zeer charmant overkomen. Op aandringen van zijn halfbroer Wilhelm (getrouwd met Dina Bouweriks), versiert hij zijn aanstaande vrouw, Jo Bouweriks, die op haar beurt weer overgehaald werd, door haar zusje.

Jo wordt geboren in een keurig arbeidersgezin uit de Amsterdamse Jordaan. Zij was het 6e kind op rij, van de negen. Het gezin had het in verhouding met tijdgenoten niet slecht. Er werd thuis goed opgelet dat er Algemeen Beschaafd Nederlands gesproken werd en geen plat Amsterdams! Oudste zus Christien mocht zelfs voor onderwijzeres gaan studeren. Althans, tot het noodlot toesloeg en haar vader 46 jaar oud, aan een infectie overlijdt. Jo is dan 9 jaar oud en zit nog op de lagere school. Ze kan goed leren en slaat zelfs klassen over. Het schooljaar bestond toen nog uit halve jaren en zo doorloopt Jo tot haar 12e jaar, 12 klassen. Verder leren is er niet bij, er moet brood op de plank komen.

Ondanks haar kleine postuur, wordt zij krantensjouwer bij de AKO. Zware pakketten kranten sjouwt zij vanaf het Damrak naar de kiosken. Na zo’n 2 jaar sjouwen, wordt zij dagmeisje bij 'n gegoede familie in de Willemparksbuurt. Zij blijkt goed te kunnen koken en klimt op tot kokkin. Ze had zo een prettig leven en hoefde niet perse aan een man…

In zijn vak als behanger - stoffeerder - meubelmaker komt Herman veel bij huishoudens waar alleen de vrouw thuis is… De eerste paar jaar van het huwelijk gaat het nog redelijk. Ze wonen die eerste twee jaar dan ook nog in bij haar moeder, een tweekamer benedenwoning in de Westerstraat 201. Exact negen maanden na de huwelijksdag kwam hun eersteling Herman daar ter wereld, anderhalf jaar later gevolgd door Jopie. Op 8 mei 1924 betrekken ze hun eerste eigen woning in de Witte de Withstraat 39 / 3 hoog in West. De bebouwde kom hield toen nog op bij de kruising Witte de Withstraat - Jan Evertsenstraat (bij de Admiraal de Ruyterweg), daarachter lagen weilanden van de Baarsjespolder. Deze – op het oog - mooie driekamer etagewoning in Amsterdamse School stijl was net opgeleverd en voldeed aan alle nieuwerwetse eisen, zoals een wc en badkamer. Er bleken echter veel constructiefouten in te zitten, waardoor hele vloeren er al in 1927 uit moesten. 

Hier werd op maandag 8 dec.1924 kleine Hendrik geboren. Hij stierf nog geen 2 maanden oud, aan een hersenvliesontsteking in het Wilhelmina Gasthuis. Moeder Jo was door verdriet overmand, maar Herman liet ’t klaarblijkelijk koud. Staand aan het grafje maakte hij de botte en ongevoelige opmerking: “Gelukkig leeft de maker nog”. Dit was voor  echtgenote Jo de spreekwoordelijke druppel en had ze het wel gehad. Ze gaan voor bijna een jaar uit elkaar. Zij blijft op de etage wonen en Herman betrekt een zolderkamer aan de Marnixkade 76.
Weer zijn het haar zussen en zwager Wilhelm, die Herman op zijn gedrag aanspreken - en na zijn beloftes van beterschap - Jo weten over te halen het nogmaals met hem te proberen. Binnen een maand is zij weer zwanger en beseft dat zij nu definitief gebonden is. Want waar moet ze, in die tijd – als alleenstaande moeder - naar toe met drie kinderen?

Als baby Annie (later An genoemd), nauwelijks een week oud is verhuizen ze naar nieuwbouwwijk Tuindorp Oostzaan, waar ook Jo's zussen Anna en Dina (getrouwd met Wilhelm van Wereld, de oudste broer van Herman) en haar broers Jan en Gerrit inmiddels wonen. Al gauw vervalt Herman in zijn oude gedrag. Na krap een half jaar keert de onrust terug en wil hij weg onder de sociale controle van de familie. Na anderhalf jaar in Oost, op het adres Bataviastraat 34 / 1 hoog en 3 maanden in de Transvaalstraat 19 /3 hoog, wordt op No.19 huis in sept.1929 de jongste dochter Ria geboren.
Deze foto laat een gelukkige Jo zien, trots op haar viertal. Overigens is deze foto afgedrukt als ansichtkaart (tevens geboortekaartje) en dd 21 sept. vanaf het Centraal station (poststempel) verstuurd met een postzegel van 1½ cent aan Jo's zus Anna Verwoert-Bouweriks, wonende in de Maanstraat 22 Tuindorp Oostzaan, met deze sumiere tekst: "afz. bekend". De kaart is later blijkbaar weer in bezit van Jo gekomen en vervolgens ingelijst.

Tussen de wereldoorlogen was er géén woningnood en stonden veel woningen leeg. ‘Huisjesmelkers’ trokken huurders met gratis een nieuw behangetje of enkele weken gratis huur. In de hele stad werd daardoor veel verhuisd.

Inmiddels zijn het de Crisisjaren ’30 en is het gezin op 22 mei verhuisd naar de Overamstelstraat 25 tweehoogachter, waar ze - ondanks het grote woningaanbod - anderhalf jaar (!) met z’n zessen boven op elkaar wonen in één kamer. Met uitzicht op - en in de stank van - de (voormalige) mosterd-, azijn- en zuurfabriek van de firma Luycks.

Er wordt diverse malen van geloofsovertuiging gewisseld, afhankelijk van de steun die er werd toegezegd door meneer pastoor of de dominee. Deze schuwden geen enkel middel, om zieltjes cq leerlingen te winnen voor de scholen. ’t Enige nadeel was dat ze ook thuis kwamen controleren. Zelfs in de kasten keken en bovendien commentaar hadden op de keurige meisjesjurkjes met kanten kraagjes (die Jo zelf maakte), want als daar geld voor was…
Hoewel het niet goed gaat met hun relatie, weet Herman zijn vrouw Jo over te halen het contact met haar zussen te verbreken. Het zou allemaal hun schuld zijn… Zware jaren volgen, de verdiensten komen sporadisch in de huishoudportemonnee terecht. Ze verhuizen nog een aantal malen; per 20-10-1932 naar de Govert Flinckstraat 355 / 2 hoog, per 11-05-1935 in dezelfde straat No.12 huis en per  23-03-1936 naar de Eerste Oosterparkstraat 62 huis. Soms omdat er een huurachterstand was ontstaan, of omdat verhuizen gewoon goedkoper was. Zo nodig vervaardigde Herman de benodigde huurverklaring (bewijs dat er geen huurachterstand was) zelf!

Herman maakte voor z’n dochters mooie houten poppenbedjes, een echte mini-linnenkast en ’n poppenkinderstoel. Samen maken ze ook lange wandelingen, tot het strandje bij Muiderberg en zelfs naar Zandvoort, of naar Waverveen, Oudekerk aan de Amstel en Weesp. Gekampeerd wordt er ook in de zomervakanties in het Gooi, waarbij soms zelfs buurkinderen mee mogen. ’t Waren de meest gelukkige gezinsjaren. Er waren dus periodes dat hij echt z’n best wel deed.
Begin jaren ’30 begon Herman met een volkstuin langs de Amstel, ter hoogte van de Berlagebrug, maar ook te bereiken met een roeibootje. Hij hield er o.a. kippen, eenden, konijnen, een geit en verbouwde er ook groente en allerlei soorten bessen. Vooral de kruisbessenstruiken waren al voor de oogsttijd aanbrak door de kinderen leeg gesnoept, wat hij bepaald niet kon waarderen.

Op zonnige dagen was het hele gezin hier aan het werk. Doordeweeks nam hij vaak een of twee kinderen mee om te helpen. Met name zoon Herman en middelste dochter An vonden het heerlijk om in de aarde te wroeten. Zij zouden later als volwassenen dan ook hun eigen moestuin hebben. Op een bepaald moment was oudste dochter Jopie, óók meer een dans- en uitgaanstype, met geen stok meer te bewegen ernaar toe te gaan. Tientallen jaren later vertelde zij dat ze regelmatig was ‘lastig gevallen' in het kleine schuurtje op de tuin...
Echtgenote Jo - voor haar huwelijk dus kokkin bij een chique familie op de Willemsparkweg - wist van alle gekweekte groente, kruiden en fruit heerlijke gerechten te bereiden. Veel werd ook ingemaakt in van die glazen wekpotten, die ze haar leven lang zou bewaren.

Vanaf half oktober ’39 wonen zij in de 1e Jan Steenstraat 69 / 3 hoog, gelegen tussen de Ruysdaelkade en het Roelof Hartplein, beter bekend als de Albert Cuypbuurt.
Volgens
een bewaard gebleven proces verbaal van eind mei ’42, "opgemaakt door agent van politie Kamphuis om 15.30 uur, doet Herman als 44-jarige meubelmaker, wonende in de 1e Jan Steenstraat 69 III, aangifte van vermissing, vermoedelijk diefstal gepleegd op 25 mei 1942, van een vurenhouten roeiboot, waarde 25 gulden, uit de Amstel, tegenover de Duitsche roeivereeniging".
Hiermee was hij z’n bootje dus kwijt. Maar óók de manier om extra voedsel van de volkstuin - ofwel voor persoonlijk gebruik, of om te ruilen - te transporteren. Toen steeds meer voedsel op de bon ging en dus schraalhans meester werd, presteerde hij ’t regelmatig - egoïstisch als hij was - om in het tuinhuisje een groot deel van de eieren en zelfs een geslacht konijn, zelf klaar te maken en in z’n eentje te verorberen, alvorens thuis aan te schuiven voor ’t karige avondmaal.

Begin 1943 krijgt hun 20-jarige zoon Herman, aan het werk als gediplomeerd elektriciën, te horen dat hij net als duizenden andere jonge Nederlandse mannen tewerk gesteld zal worden in Duitsland.

De bezetter roept hele jaarklassen op en in maart ‘43 wordt de gedwongen Arbeitseinsatz ingevoerd. Aan ’t eind van dat jaar zijn er al 227.000 Nederlanders tewerkgesteld. De mannen moeten hiervoor een paspoort aanvragen, hetwelk ze vaak zelf dienen te betalen.

Tegelijk met het maken van de benodigde pasfoto’s wordt er een gezinsfoto gemaakt. Overigens de enige van het voltallige gezin. Herman jr. wordt op 15 maart 1943 op transport gesteld naar Frankfurt am Main, waar hij op de 17e tewerkgesteld wordt bij AG Hessen. Herman krijgt een kledingvoorschot van 20 gulden. Welk bedrag pas bij terugkeer verrekent zou worden met het loon, zijnde een bedrag van 973 gulden. Dan wordt er ook nog eens vier gulden ‘grensgelden’ afgehouden.
De familie krijgt sporadisch een briefkaart met gecensureerde korte berichtjes, waarvan er maar eentje (aan zusje An) bewaard is gebleven. Half juni '44 blijkt hij overgeplaatst naar Lohfelden bei Kassel, is dan ondergebracht in de 'Fernsicht Baracke' en werkt dan bij 'Fasst Kohlenlkau'. Hij bedankt An voor het verslag van haar Jeugdherbergtocht en voor het verloren gewaande voedselpakket. Op zondag is hij vrij en gaat dan wandelen in de bergen, waarvan hij maar geen goede foto kan maken. Voorts meldt hij nog, behoorlijk te zijn afgevallen. 
Herman was de eerste uit de familie van Wereld die als dwangarbeider moest gaan werken. In juni ’43 volgden zijn (dubbele) neven Gerard en Wim, zoons van tante Dina Bouweriks en wijlen Wilhelm van Wereld. Waarna nog vele familieleden zouden volgen. LEES meer...

Terug naar het ouderlijk gezin van Wereld - Bouweriks. Vier maanden eerder was de 19-jarige Jopie getrouwd met de negen jaar oudere melkbezorger Teun Bernhard. Zij gingen inwonen bij zijn moeder aan de Sloterkade 129. 
Nog voor de hongerwinter uitbreekt, verlaat Herman sr. vrouw en de twee nog thuis wonende dochters (An 18, Ria 14 jaar oud), met medeneming van alles wat waardevol is. Ondanks dat, dansen zij rond de tafel van opluchting. Dat het financieel geen vetpot zou zijn, was iets dat zij immers al jaren gewend waren. Vermoedelijk trekt Herman zich dan terug in z’n tuinhuisje.

 

 

Jo vraagt direct na de oorlog een echtscheiding aan, die op 12 sept. 1945 wordt uitgesproken. Zoon Herman komt op 30 augustus 1946 - uitgemergeld, maar heelhuids - terug uit Frankfurt am Main. Nu breken voor haar betere tijden aan. De spanningen zijn weg en zowel Herman jr. als An dragen vrijwel hun hele verdienste af aan moe.

Zoon Herman trouwde, 27 jaar oud, in  juli ‘49 met Nel, 29 jarige kantoorbediende (later directie secretaresse) en ging wonen in de Corn.Anthoniszstraat 21 huis (twee decennia later Maasstraat 60). Zij kregen twee kinders André (boekhouder) en Erna (onderwijzeres) en hadden een tuinhuisje op ‘t volkstuincomplex achter de Utrechtsebrug.
Hermans grootste hobby was fotografie, compleet met doka en al. Het gezin bereisde de halve wereld en logeerde dan graag in Natuurvrienden huizen. Herman zou 76 jaar oud worden. Hij stierf aan de gevolgen van longkanker, ws. veroorzaakt door asbest waarmee hij als dwangarbeider had moeten werken.

 

Op 15 mei ’53 verzamelde de hele familie zich op Schiphol, voor de emigratie van Jopie en Teun naar Canada. Zij zouden beginnen in het plaatsje Chatham, later woonden ze in Toronto. Jopie kreeg geen kinderen en 't huwelijk liep stuk. Omstreeks 1965 kreeg zij in Toronto een relatie met de leuke Duitse oorlogsinvalide Kurt. Hij wilde wel trouwen, maar zij was nog niet gescheiden. In 1968 kwam zij samen met Kurt op vakantie naar Holland. In 1971, woonde Teun al in Holland, kwam ’t eindelijk tot scheiding van tafel-en-bed. De officiële scheiding liet nog twaalf jaar op zich wachten. Eind mei ’77 kwam Jopie, vanwege heimwee, terug in Amsterdam en trok toen voor ongeveer een jaar in bij zusje Ria, in de Diezestraat 15.

Eind okt.1979 betrok ze een chique woning in de Valeriusstraat 177 huis plus 1 hoog, samen met een neef van Teun, Herman Bernhard (1912-1983) welgestelde Casino exploitant in Baarle Nassau (en illegaal in de Valeriusstraat; de woning stond op haar naam). Ze maakten diverse zee-cruises en hadden ’t goed met elkaar. Al in Canada had zij een gezelschapshondje, een teckel "Bodjo". Ze nam hem overal mee naar toe en was ontroostbaar toen hij tijdens een cruise overleed bij haar zusje An. Half januari 1983 betrokken ze samen – de geheel door hen verbouwde - vrijstaande villa in Zandvoort, Dr. Gerkestraat 5. Krap twee maanden later stierf Herman onverwacht, 70 jaar oud. Jopie, teleurgesteld in het leven en eenzaam, ondanks de steun van haar zussen (en nichtjes), zocht haar toevlucht in de drank. Na een val van de trap overleed zij, slechts 64 jaar oud, op de operatietafel in een ziekenhuis te Haarlem. Zij zou haar aanzienlijke vermogen nalaten aan de Dierenbescherming.

In juni 1953 verhuist Jo met jongste Ria naar de (voormalige woning van Jopie aan de Sloterkade 129 / 1 hoog, waar zij tot een paar maanden voor haar dood zou wonen.

Ria trouwde, 26 jaar oud, in sept.1956 met Gerard, ambtenaar bij ’t GAK. Hij nam twee kinders mee (hun moeder was ziek), maar dat werd geen succes. Samen kregen ze één dochter Yvonne (doktersassistent) en woonden 15 jaar in de 1e Schinkelstraat 41 / 3 hoog (‘n voormalige voor- en achterwoning) en vervolgens vanaf eind mei ’71 in de Diezestraat 15 / 1 hoog. Ria woonde dus aanvankelijk op loopafstand van moe, Yvonne zat er om de hoek op school, dus kwam ze dagelijks langs, deed haar boodschappen, lunchten samen enz.
Gerard hield helaas teveel van een borrel, hetwelk in 1975 tot een scheiding leidde. 

Ria hield van gezelligheid en mensen om zich heen; daarnaast van kletsen, klaverjassen, een kroketje bij de Febo en winkelen op de Albert Cuyp. Samen met haar dochter had ze goede jaren, ging zelfs op vakantie naar zus Jopie in Canada of samen met ’t gezin van broer Herman en logeerde graag bij zus An in Zandvoort. En later bij haar dochter in Ede.
Ria werd getroffen door meerdere hersenbloedingen, kreeg o.a. afasie (wat altijd vreselijk is, maar met name voor iemand die zo van praten en woordgrapjes hield). Zij stierf, 75 jaar oud in een verpleeghuis te Bennekom, maar werd (naar haar dringende wens) begraven op Zorgvlied in Amsterdam.

Terug naar moe, oftewel Jo. Zij was, vanwege de ‘Spaanse griep pandemie’ van 1918, haar leven lang bang voor alles wat maar op de griep leek. Zo kwam ze eens in de jaren ’50 met de ‘Blauwe tram’ naar Zandvoort, voor haar een hele reis, om te logeren bij dochter An. Bij binnenkomst hoorde ze een van de kleinkinders hoesten en maakte ze rechtsomkeer.
Ondanks dat ze lichamelijk niet veel mankeerde, was ze vroeg oud en ondernam zelf niet veel activiteiten. Ze las veel en luisterde naar de radio. Ze genoot wel van de wekelijkse zondagsbezoekjes van alle kinderen. Dan werd er gekaart, had ze altijd karamel-toffees in huis en werd er gelachen.
Overigens speelde haar hele leven zich, in die jaren, af in de achterkamer met eettafel, maar waar ook haar bed stond. Terwijl de ‘mooie’ voorkamer zulk fantastisch uitzicht bood over de gracht en de kade.
Jo zou het contact met haar zussen en broers nooit meer echt herstellen (noch omgekeerd). Hoewel de meesten van hen ook in de stad woonden… Ze was daarentegen wel in voor autodagtripjes en een kort bezoekje als ze gebracht kon worden.

 

Jo viel, 85 jaar oud, van de trap bij het schoonmaken hiervan, hoewel haar hulp dat kort tevoren gedaan had, maar niet naar haar zin... Ze brak beide onderarmen en haar neus en werd met een zware hersenschudding opgenomen in Blaricum, omdat de Amsterdamse ziekenhuizen vol waren. Aanvankelijk lijkt ze te herstellen, maar na ‘t moment dat er gesproken wordt over een plek in een bejaardenhuis, overlijdt ze in haar slaap. 

Herman betrekt op 29 mei 1945, voor vier jaar, een etage in de Graaf Florisstraat 29 / 2 hoog. Woont dan op vijf verschillende adressen in de Govert Flinckstraat en dan op 7 nov.1952 een kamer in de Gerard Doustraat 44 / 1 hoog. Hoofdbewoner was Floris van Harberden (te Nieuwkoop gehuwd met Margaretha Cornelia Blom), die hier al sinds ’46 woonden. Of er toen al sprake was van een verhouding met de vrouw des huizes zullen we niet weten. In elk geval vertrekt van Harberden eind feb.’53 naar de Vechtstraat 57 en blijft Margaretha Blom hier wonen met haar drie dochters. 

Margaretha scheidt van haar eerste man en trouwt op haar 30e en zes maanden zwanger, op 26 nov.1957 met de 59-jarige Herman. Hij erkent haar drie dochters als stiefkinderen en krijgt bij haar nog twee dochters (jonger dan zijn kleindochters).
Op 29 juli 1963 verlaat Herman óók z’n tweede gezin en huurt een kamer in de Marcusstraat 5 / 3 hoog. Margaretha Blom bleef met haar vijf dochters wonen in de Gerard Doustraat. De scheiding zou pas uitgesproken worden dd 26-01-1968. Tweede ex-genote Margaretha stierf op 45-jarige leeftijd. Beide jongste dochters van Wereld (14 en 11 jaar oud) kwamen in huis bij hun oudere halfzuster Corrie en haar man Herman Sebel, wonende in de James Cookstraat 27 I en later in de Kanariestraat 1 /I.

Er is nooit contact geweest tussen de kinderen uit Hermans beide huwelijken, noch tussen hem en zijn oudste vier, na de scheiding. Hij sterft 85 jaar oud in de Wakkerstraat 17 / 3 hoog. Bij ontbreken van een testament, ontvangen alle kinderen via, via nog een bescheiden erfenisje van zo’n 250 gulden, hetwelk tevens het doodsbericht was. 

Generatie 3 ( grootouders )


Hermanus Henricus van Wereld, geb. Amsterdam 19 nov. 1860, schoenmaker (1880), laarzenmaker in 1893, borstelmaker, schoenmaker tussen 1894-1903, Amsterdam 29 april 1903, tr. Amsterdam 26 jan. 1893 Maria Gertrud (Gertrud) Timmer, geb. Westerloh (Duitsland) 1 maart 1867, ged. Delbrück (Duitsland) 1 maart 1867, Amsterdam 1 mei 1921, dr. van Johann Stephan [Stephan] en Angela Maria [Franzisca] Bade.

Uit dit huwelijk:
1. Wilhelm van Wereld, geb. Amsterdam 9 mei 1889 (bij huwelijk erkend), springverenmaker (1908); haventransportarbeider, Amsterdam 12 april 1931, tr. Amsterdam 18 sept. 1918 Gerardina Johanna (Dina) Bouweriks, geb. Amsterdam 5 okt. 1891, ald. 9 april 1951, dr. van Gerrit Hendrik en Johanna Christina Maria Oostendorp.
2. Johannes Theodorus van Wereld, geb. Amsterdam 16 okt. 1894, loopknecht (1913), magazijnbediende (1918), brandstoffenhandelaar, Amsterdam 31 dec. 1959, begr. Amsterdam, Begraafplaats Nieuwe Ooster (grafnr. 3-75-D-73) 4 jan. 1960.
3. Maria Geertruida van Wereld, geb. Amsterdam 27 juli 1896, ald. 18 maart 1927, begr. R.K. Kerkhof St.Barbara 21 maart 1927, tr. Amsterdam 15 mei 1918 Hubertus Adrianus van de Wijgerd, geb. Terheijden 5 jan. 1894, behanger, woningstoffeerder, Amsterdam 21 dec. 1973, zn. van Adrianus en Anna Maria Hamers; hij hertr. Amsterdam 25 jan. 1928 Francisca Hendrica Onnel.
4. Hermanus Hendrikus Stephanus (Herman), zie I.
5. Alida Wilhelmina van Wereld, geb. Amsterdam 27 aug. 1900, ald. 5 jan. 1901.
6. Alida Catharina van Wereld, geb. Amsterdam 30 okt. 1901, hoedenmaakster, Amsterdam 8 april 1970.
 

Herman wordt geboren als 3e kind van de vier, in een armoedig katholiek arbeidersgezin in de Jordaan, Anjeliersgracht 557. Zijn vader was toen al 44 en overlijdt als hij pas 3 jaar oud is. ’t Broertje na hem overlijdt op tweejarige leeftijd, een paar maanden na papa. Hij groeit op met een ouder zusje Marie en een broer Johannes Theodorus (JT).
Als 19-jarige wordt hij opgeroepen voor de Nationale Militie en werkt dan als schoenmaker. Herman blijkt een klein mannetje, zo vernemen we uit ‘t hierbij genoteerde signalement, met een lengte van 1.55.4 m. Verder een ovaal aangezicht, hoog voorhoofd, blauwe ogen, gewone neus en mond, ronde kin, blond haar en wenkbrauwen, merkbaar teken aan het rechteroog. Vanwege broederdienst niet vrij te stellen (broer
JT was vier jaar eerder als vrijwilliger in dienst gekomen met een verbintenis van zes jaren en per 17 maart 1878 vrijgesteld voor de Nat.Militie vanwege het feit dat hij al als Huzaar in dienst was. Overigens was JT een stuk groter en leek bepaald niet op Herman, maar wel op wijlen papa. Zo had ook hij een breed voorhoofd en bruine ogen en haren). Herman deed nog een tweede verzoek tot vrijstelling vanwege lichaamsgebreken (mogelijk z’n lengte), maar werd desondanks tot de dienst verplicht per 10 mei 1880 en ingelijft bij het 7e regiment infanterie. Per 9 mei 1885 gepasporteerd. In die vijf jaar overtrad hij geen enkele regel, waaruit we mogen concluderen dat Herman een braaf jongetje was. Ook weer in tegenstelling tot z’n broer (en papa), waarvan in het Militair Strafregister maar liefst tweeëntwintig overtredingen in krap twee jaar tijd, genoteerd werden.

 

Na z’n dienstplicht trekt Herman weer in bij moeder, dan wonende in de Eerste Nassaustraat 2, hoek Nassaukade in de Staatsliedenbuurt, waar ook  broer en zus (getrouwd met een brievenbesteller) ingeschreven staan. In februari 1887 betrekt Herman - als zelfstandig schoen- en laarzenmaker - samen met moeder een woning met werkplaats aan de Blauwburgwal 3. Een mooi grachtje tussen het Singel en de Herengracht. Op vrijdag 3 april 1891, stierf moeder 66 jaar oud, des namiddags ten tien ure in het huis staande Nieuwe Lelystraat No.13, wonende Blauwburgwal 3. De 30-jarige Herman laat de uitvaart en aangifte regelen door aansprekers Dippel. 

Zijn aanstaande vrouw Gertrud wordt geboren als 6e kind van de acht, op vrijdag 1 maart 1867 om 2 uur ’s nachts te Westerloh en gedoopt in Delbrück.  "Name der Paten Gertrud Lütkepicht aus Westerloh und Maria Catharina Schnittker aus Ostenland”. Haar ouders wonen en werken als Heuerlinge (huurlingen ofwel daggelders – boerenknechten) op de boerderij van Böltner in Westerloh en wonen er in huis No.97. Het boerengehucht Westerloh is gelegen nabij Delbrück, kerspel Padderborn in de deelstaat Nordrhein-Westfalen,  zo’n 200 km van de Nederlandse grens op de hoogte van Arnhem.

 

Gertrud is blondrossig, heeft grijsgroene ogen en is klein en tanig gebouwd. Op 21- jarige leeftijd raakt ze zwanger en ’t lijkt erop dat ze toen naar Amsterdam is gekomen. Zij meldt zich niet als ingekomen vreemdeling, maar vestigt zich als werkster in de Sint Annastraat 7, een zijstraatje van de Oudezijds Voorburgwal. Op donderdag 9 mei 1889 wordt hier zoontje Wilhelm geboren. Waarschijnlijk vernoemd naar zijn natuurlijke vader (of de Duitse keizer), want de naam kwam in haar familie niet voor. Aangifte op 11 mei door Elisabeth Gooren vroedvrouw 50 jaar, wonende Kloveniersburgwal, welke heeft verklaard dat in haar bijzijn op 9 dezer des voormiddags ten 9 ure, in het huis staande Sint Annastraat 7 is geboren Wilhelm Timmer. In de kantlijn van de akte is dd 05-01-1893 bijgeschreven "Dit kind is door HH van Wereld en Maria Gertrud Timmer bij huwelijk erkend en gewettigd".
Het Bevolkingsregister 1874-1893 vermeldt haar in de
Sint Annastraat 7 per 10 mei 1889, (één dag na de geboorte van Wilhelm) als ingekomen en geregistreerd via politiekaart, als Gertrud Timmer. Ze woont daar tot jan.1890 en dan vanaf jan.1891 in de Zwartlakensteeg 104, hoek Oudezijds Voorburgwal. Het nauwe en donkere steegje telde twintig woninkjes (104-124) en keek in westelijke richting naar de blinde muren van de achterkant huizen in de Warmoesstraat.

Op 21 dec.1892 trekt zij in bij verloofde Herman en wordt dan nog als werkster vermeld. Ten tijde van de ondertrouw op donderdag 5 januari 1893 is Gertrud zonder beroep en woont dus al samen met Herman – dan Laarzenmaker genoemd – in zijn huis aan de Blauwburgwal 3.  ”Voorts verklaren de verloofden bij deze te erkennen een kind genaamd Wilhelm Timmer, geboren alhier 9 mei 1889. Getuigen bij het burgerlijk huwelijk zijn: Joh.P.H.Hellegers 54 jaar, Adrianus van der Linden 24 jaar, Douwe van der Aa 55 jaar, Christoffel Kruger 68 jaar, allen werklieden alhier.
[St. Nicolaasstraat, tussen Nieuwezijds Voorburgwal en Nieuwendijk]

 

Op 19 aug.1894 verhuist het jonge gezin naar de Prinsenstraat 17, gelegen in het verlengde van de Blauwburgwal tussen Prinsen- en Keizersgracht. Hier ziet Johannes Theodorus het levenslicht op dinsdag 16 oktober 1894 “des namiddags ten halfzeven ure”. De trotse 33-jarige vader deed zelf aangifte op 18 okt. De akte vermeldt hem als schoenmaker, getuigen zijn twee beambten (zoals ook bij de andere kinders).
Drie maanden later (
17-01-1895) verhuizen ze naar de Spuistraat 63, alwaar Maria Geertruida roepnaam Marie geboren wordt  op maandag 27 juli 1896 “des namiddags ten zes ure”. Van de geboorte is aangifte gedaan op 29 juli door vader, schoenmaker 35 jaar oud. Op hetzelfde adres gevolgd door
Hermanus Hendrikus Stephanus roepnaam Herman, op maandag 11 april 1898 “des voormiddags ten elf ure”.  Zes weken erna (01-06-1898) verkast het gezin naar de St.Nicolaasstraat 3 huis, hoek Nieuwendijk. Het straatje loopt tussen de Nieuwendijk en de Nieuwezijds Voorburgwal. Hier wordt Alida Wilhelmina geboren op maandag 27 augustus 1900. Zij stierf daar slechts 4 maanden oud.
Vanaf 20 feb.1901 wonen ze in dezelfde straat op No.15 huis, alwaar de jongste Alida Catharina roepnaam Lida op woensdag 30 oktober 1901 “des voormiddags ten zes ure” ter wereld komt. Een jaar later (06-10-1902) betrekt het gezin een benedenwoning aan de zonnige kant van de Nieuwezijds Voorburgwal op No.113. De ingang van de St.Nicolaasstraat ligt tussen de nummers 95 en 97, dus bijna om de hoek van hun oude huis.


Hier sterft Herman op woensdag 29 april 1903 “des namiddags ten negen uren”, slechts 42 jaar oud. Nalatende de 36-jarige Gertrud en vijf kinders in de leeftijd van 1,5 tot 12 jaar oud. 


Na ruim elf jaar hier gewoond te hebben verhuist zij met alle kinders op 12 december 1913 naar het Singel 45 / 2 hoog-voor. Op de foto het rechter hoekhuis ter hoogte van de brug, hoek Korte Korstjespoortsteeg, op de achtergrond de Ronde Lutherse Kerk. Een mooie locatie met prachtig uitzicht en slechts 150 meter van hun eerste huis aan de Blauwburgwal. Van hieruit worden de drie zoons opgeroepen voor de Nationale Militie en zullen er twee trouwen.

Wilhelm wordt als 19-jarige springverenmaker opgeroepen voor de Natonale Militie, gezond verklaard en per 22 sept.1909 ingelijft bij het 1e regiment Huzaren. Zijn lengte is 1.71.5 m. In dato 1 april 1914 (mobilisatie WO I) ingelijfd bij de O/B Veldartillerie en per 31 dec.1918 gepasporteerd. Overigens werden springveren gebruikt in matrassen en zitmeubelen.
In dato 7 mei 1913 wordt Johannes Theodorus - dan loopknecht van beroep - vrijgesteld voor de Nat. Militie vanwege broederdienst. Herman jr. werkt als meubelmaker en wordt eveneens vrijgesteld dd 8 september 1917, maar wordt desondanks (mobilisatie WO I) per 9 april 1918 ingedeeld bij het 1e regiment Huzaren, als eerste gedetacheerd te Amersfoort in ‘t officiers paardenkamp. Per 20 maart 1919 ontslagen wegens vrijstelling voor goed.

In mei 1918 trouwt de 21-jarige Marie (1896-1927) met behanger-stoffeerder
Hubertus Adrianus van de Wijgerd uit Terheijden. Gehuwd in bijzijn van haar moeder en zijn ouders, die verklaren toe te stemmen in het huwelijk, zijn moeder verklaard niet te kunnen naamteekenen, als hebbende geen schrijven geleerd. Getuigen zijn haar broer Wilhelm (29) transportarbeider en zijn broer Adrianus Hubertus (26) Sergeant der Infanterie te Breda. Zij krijgen één zoon en één dochter en wonen jarenlang aan de Geldersekade 38 / 1 hoog. Eind feb.1926 verhuist dit gezinnetje naar ‘t Rapenburg 37 huis, alwaar Marie slechts 30 jaar oud zal sterven. Zij is begraven op maandag 21 maart 1927 op het R.K. Kerkhof St.Barbara. Haar dochter Anna Maria zou in 1947 met haar man emigreren naar Australië.

Op woensdag 18 september 1918 trouwt oudste zoon Wilhelm, 29 jaar oud en haven-transportarbeider van beroep, met de 26-jarige Ned.Hervormde Gerardina Johanna (Dina) Bouweriks (zonder beroep), in bijzijn van beider moeders die verklaarden toe te stemmen in het huwelijk. Als getuigen zijn aanwezig haar broer Gerrit Hendrik (1880-1975) 38-jarige caféhouder (Singel 321, hoek Raamsteeg) en zijn broer Johannes Theodorus (1894-1959) 23-jarige magazijnbediende.  

Wilhelm en Dina krijgen in tien jaar tijd acht kinderen en wonen in de Leliestraat 71 huis, in 1924 aan de Distelkade 11 huis, in 1930 in de Kalmoesstraat 7 huis (Floradorp) en vanaf 7 mei ’31 Plejadenplein 40 in Tuindorp Oostzaan, alwaar al diverse familieleden van Dina woonden.
Via Wilhelms gezinskaart zien we dat hij van geloof Hervormd wordt (net als Dina). Tevens staat er een stempel dat hij al jong onder de Invalide Wet valt. Deze uitkering is ook voor hun kinderen van toepassing. Volgens familieherinnering had hij zwaar TBC en suikerziekte. Wilhelm zou ten einde raad, van de brug gesprongen en verdonken zijn, nadat hij jarenlang ernstig ziek was geweest. Hij werd slechts 41 jaar. Dina nalatende met ZEVEN kinderen in de leeftijd van 1,5 tot 12 jaar. Na zijn dood krijgt Dina voor het eerst sinds haar trouwen de portemonnee in handen. Zij beheert het gezinsinkomen vanaf dat moment met zeer strakke hand. Geld uitgeven aan de leuke dingen in het leven doet ze absoluut niet.
Zij zou half maart 1935 verhuizen naar de Orionstraat 51 huis. Half dec.1940 verhuist zij met twee, nog thuis wonende kinderen naar de ten Katestraat 28 / 1 hoog, alwaar zij op 59-jarige leeftijd stierf. Pas dan blijkt  - dat ze, voor die tijd - een behoorlijk bedrag gespaard heeft. Haar kinderen waren stomverbaasd...

Terug naar moeder Gertrud, die met de ongetrouwde Johannes Theodorus (1894-1959) dan brandstoffenhandelaar, nog aan het Singel 45 woont. Gertrud blijft een echte boerendochter, ondanks haar kleine bovenwoning, middenin de stad, houdt ze er kippen, die gewoon los in de kamer rond lopen. Ze schuwt ’t slachten ervan ook niet. Na het afhakken van de kop, was het voor haar amusement om de kip zonder kop, nog door de kamer te laten fladderen tot hij dood was. Erg schoon was ’t er daardoor niet…


Jongste dochter Alida Catharina (1901-1970) blijft eveneens ongehuwd en werkt als hoedenmaakster. Zij woont meer dan dertig jaar in de Lijnbaanssteeg 3 / 2 hoog.
Zoon Herman werkt dan als koetsier bij een fouragehandel en woont tussen 1918 en 1921achtereenvolgens in bij broer Wilhelm in de Leliestraat, bij aanstaande schoonfamilie en bij zijn zusje aan de Lijnbaansgracht.

Gertrud sterft
op zondag 1 mei 1921 “des voormiddags ten halftien ure”, zonder beroep, 54 jaar oud. Aangifte op 4 mei door aansprekers. Nalatende VIJF volwassen kinderen en drie (van de uiteindelijk 17) kleinkinderen.

 


Generatie 4 ( overgrootouders )


Simon van Weereld, geb. Oosterhout 12 maart 1816, Kannonier bij de Artillerie, werkman, sjouwer, Amsterdam 21 mei 1863, (ondertr. Antwerpen) omstr. 1840 Cornelia van de Klundert; tr. 2e Amsterdam 23 jan. 1856 Alida Harmina Bom, geb. Amsterdam 24 sept. 1824, dienstbode, Amsterdam 3 april 1891, dr. van Floris en Anna Catharina [Naatje] Harms.

Uit het tweede huwelijk:
1. Maria Elisabeth van Wereld, geb. Amsterdam 9 jan. 1856, ald. 2 febr. 1939, tr. Amsterdam 2 dec. 1880 Johannes Hermanus Muhlenkamp, geb. Amsterdam 18 mei 1851, brievenbesteller, Amsterdam 12 maart 1921, zn. van Bernard Hermann en Geertruijda Maria Allebé.
2. Johannes Theodorus van Wereld, geb. Amsterdam 30 maart 1858, Werkman, besteller bij huwelijk in 1882, Koffiehuishouder, Diamantslijper, Tapper, Amsterdam 18 dec. 1947, tr. 1e Amsterdam 27 okt. 1882 Johanna Neeltje de Ruijter, geb. Amsterdam 3 nov. 1851, tapster, Amsterdam 24 juli 1904, dr. van Teunis en Johanna Meijer en wed. van Harm de Vries; tr. 2e Amsterdam 27 sept. 1922 Jacoba Wilhelmina Appeldoorn, geb. Utrecht 10 okt. 1879, Soest 24 april 1945, dr. van Carel en Aaltje Vink.
3. Hermanus Henricus, zie III.
4. Antonius Johannes van Wereld, geb. Amsterdam 25 april 1863, ald. 18 dec. 1865.

Simon wordt geboren als 2e kind van de vier in Oosterhout, Noord-Brabant. Simon werd ingeschreven voor de “Nationale Militie met Trekkings Nummer 34, voor de Ligting van den Jare 1835. Hij is ingelijfd geworden bij het Bataillon Artillerie Transport Trein bij de Rijdende Batterij No.1 te velde”. In het leger was Simon kanonnier bij de Artillerie, onder andere gelegerd te Deventer en op 2 februari 1838 - vlak voor het einde van z'n diensttijd gedeserteerd en - zoals later bleek - naar Antwerpen vertrokken.

Eenmaal daar aangekomen werkte hij als stalknecht bij verschillende paardenverhuurders, zonder daar een vaste woonplaats te hebben. Vermoedelijk heeft hij daar ook een relatie gehad met ene Cornelia van de Klundert. Een huwelijk hebben we echter niet kunnen vinden. Rond 1840 was hij dienaar bij de heer Van Houbeke, dierenarts en kunstenaar te Antwerpen. Hij had diens vertrouwen misbruikt en hem vervolgens zelfs gechanteerd. Daarop was een opsporingsbevel uitgegaan en werd Simon op 23 september 1840 opgepakt en per 15 oktober als fraudeur veroordeeld, door de correctionele rechtbank van Antwerpen. Uitspraak was zes maanden gevangenisstraf en na die termijn, verjaagd te worden uit het Koninkrijk België.

Dat hij ook nog een deserteur van het Nederlandse leger was en ingevolge zonder papieren, was een reden dat de politie zijn aanwezigheid niet eerder opgemerkt had. Na z'n straf te hebben uitgezeten, zal Simon beslist zijn uitgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten, die hadden immers ook nog een appeltje te schillen met hun deserteur. Vreemd genoeg hebben we daar niets van kunnen vinden en missen we zo'n tien jaar uit zijn leven.

Werkman en sjouwer
Rond 1855 dook Simon als 38-jarige werkman en sjouwer op in de Amsterdamse haven- en volkswijk Wittenburg. Hij stond daar ingeschreven op hetzelfde adres als zijn toekomstige echtgenote. Alida Bom kwam uit een familie van beurtschippers en de 31-jarige Alida werkte al van jongsafaan als dienstbode.
Alida was in de jaren ervoor tweemaal in het Buitengasthuis afdeling Vrouwen Ziekten opgenomen geweest. De eerste maal in nov.1852 voor dertig dagen en tussen 10 juni en 18 juli 1853 zelfs 38 dagen. Zij woonde toen nog in het centrum, waar ook veel van haar familieleden een plek hadden gevonden. Veelal in gangen en stegen, zoals de Engelsche Steeg
tussen Korte Nieuwendijk en Stromarkt.
Alida was Rooms en kerkte in de voormalige schuilkerk 'de Posthoorn' aan de Prinsengracht, met als toegang een poortje aan de Brouwersgracht tussen de nummers 81 en 89.
 
Simon en Alida kregen een verhouding - met als resultaat van het gistend bloed - een zwangerschap. Wellicht is meneer pastoor er aan te pas gekomen, want het kostte enige overredingskracht om Simon naar het altaar en het stadhuis te krijgen. Ze trouwden pas twee weken ná de geboorte van hun dochtertje. Van haar geboorte is aangifte gedaan op zaterdag 12 januari 1856, door vroedvrouw Maria Horskerk 54 jaar, welke heeft verklaard dat in haar bijzijn des voormiddags ten acht ure, in het huis staande Grote Kattenburgerstraat T 359 uit Alida Hermina Bom, zonder beroep is geboren
Maria Elisabeth Bom. Aangifte in bijzijn van Simon van Weerelt, sjouwer 39 jaar, wonende als de moeder en Herman Bom 28 jaar (1827-1883) Tertender, wonende Engelse Steeg [oom moederszijde]. Het meisje, vernoemd naar Simons moeder - roepnaam Marie - werd bij het huwelijk erkend en gewettigd.
Opvallend is te noemen dat het vereiste certificaat van de Nationale Militie, niet ontbreekt tussen de huwelijkse bijlagen en hierop zelfs te zien is dat Simon ‘behoorlijk uit de dienst is ontslagen, den tijd van drie Jaren hebbende gediend. Afgegeven te 's Hertogenbosch, den 13 November 1855'...

Leven tussen wandluizen en kakkerlakken
Vervolgens verhuisde het gezin naar de Jordaan en omdat Simon in augustus 1857 zonder werk kwam te zitten, ook nog zo goedkoop mogelijk. Hetwelk tevens impliceerde dat ze genoegen moesten nemen met een miserabele donkere krotwoning in de Ratelwachtsteeg (buurt OO) No.201. Uiteraard een gigantische overgang voor iemand zoals Simon, die opgegroeid was op het ruime platteland.

De Jordaan was toen al een wijk, die hard op weg was te vervallen tot één der ellendigste woonbuurten van de stad, met vele huizen vol wandluizen, kakkerlakken en vlooien. Wel een wijk waar in de vele nauwe straatjes en stinkende grachtjes opvallend veel neringdoenden waren neergestreken, zoals zijdewevers, borstelmakers, tegelbakkers, kaarsenmakers, horlogemakers, smeden, boekdrukkers, grutters en koek- en suikerbakkers - omdat de huurprijzen van de benodigde ruimtes daar lager - dan elders in de stad - waren.

De Ratelwachtsteeg
loopt tussen de Tuinstraat en Anjelierstraat evenwijdig aan de Tweede Tuindwarsstraat (bij Raadsbesluit van 1957 werd de Ratelwachtsteeg opgeheven). Eind augustus 1857 werd Alida voor 14 dagen opgenomen in het Binnengasthuis, mogelijk na een miskraam.
Acht maanden later – op dinsdag 30 maart 1858 – werd zoon Johannes Theodorus geboren op de Anjeliersgracht (die de Prinsen- en Lijnbaansgracht verbond) buurt OO No.557 (groot nummer). Aangifte door vader, sjouwer 42 jaar. Getuigen Johannes Petrus Bom blikslager 24 jaar
(1835-1911), wonende Engelse Steeg [oom moederszijde] en Jan Ruijter schoenmaker 46 jaar [buurman]. Elf dagen eropvolgend waren moeder en kind zo ernstig ziek dat zij samen voor 31 dagen opgenomen werden in het Binnengasthuis.
 
Simon verdiende toen als sjouwer zo'n vijf tot negen gulden in de week, afhankelijk van het jaargetij. De huur bedroeg Fl. 1,70. Aan turf en petroleum gaven ze Fl. 1,26 uit - aan zeep 15 cent - aan roggebrood 64 cent - aan vlees, vis, reuzel en vet 70 cent - aan koffie, thee en melk Fl. 1,05 en aan aardappelen, groente en zout Fl. 1,47. Wat overbleef was voor kleding of schoeisel of suiker, scheren, bier of tabak, wat toen toch op bijna alle budgets een - bescheiden - plaats innam. Armoed troef dus! 
 
Op 13 augustus 1859 woonde het gezin opnieuw in de Ratel Wachtsteeg (wijk OO, No.201) en werd vader Simon voor negen dagen opgenomen in het Binnengasthuis. Blijkbaar had hij vrouw en kind aangestoken, want tussen 26 aug. en 9 sept. 1859 werden Alida en 3-jarig dochtertje Marie daar eveneens opgenomen, voor 14 dagen. Tussen 10 en 21 april 1860 lag de hoogzwangere Alida, wonende als boven, nog weer eens elf dagen in hetzelfde ziekenhuis.
Ten tijde van de geboorte van zoon Herman, acht dagen na haar ontslag (29 april 1860) waren ze verhuisd naar de Lindengracht, buurt QQ No.257, hun woninkje was gelegen in een naamloos smal gangetje tussen Lindengracht 255 en 259, in het blok tussen 2e en 3e Goudsbloemdwarsstraat. Aangifte door vader Simon van Wereld sjouwer 44 jaar. Getuigen zijn twee jongere collega’s. Tekende Simon eerder als ‘van Wereld’ hier schreef hij zijn naam voluit, als: “Simon van Weerelt” (evenals bij z’n jongste zoon). Overigens was de Lindengracht in die tijd meer een stinkende sloot, waar op veel plekken de beschoeiing verdwenen was.

In mei 1861 zou het gezin opnieuw verhuizen. Hun onderkomen werd een krot in een bedompt, donker en smal steegje dat de bedrieglijke naam Witte Rozengang droeg. Een doodlopend gangetje met de ingang aan de Lindenstraat noordzijde, tussen de nummers 28 en 32, gelegen tussen het blok huizen tussen de Goudsbloemdwarsstraat en de Willemstraat. Aan het eind had ’t steegje een iets breder binnenhofje - te bereiken via een poortje aan de Lindengracht (zoals op deze tekening te zien is).

Eind april 1863 kwam in de Lindenstraat 708 (groot nummer) hun jongste telg Antonius Johannes ter wereld. Aangifte door vader sjouwer 47 jaar en geburen, respectievelijk blokmaker en korendrager van beroep. Nog geen twee maanden na de geboorte van dit zoontje, stierf vader Simon, 47 jaar oud aan de gevolgen van slijmtering ofwel tuberculose. Zo weten we uit een speciaal Overlijdensregister naar doodsoorzaken van 1863. Dit wetende ligt het voor de hand dat Simon al langere tijd op-en-af ziek geweest moet zijn en mogelijk in dezelfde en ook enige bedstee lag, met zijn vrouw Alida ernaast in de kraam. Overigens stierf Simon niet thuis, maar in het Binnengasthuis aan de Achter Burgwal 14, waar hij twaalf dagen eerder was opgenomen - op de 21e mei 1863 des voormiddags ten zeven ure - als sjouwer-metselaar”.

Door Simon's ziekte waren de gezinsinkomsten dramatisch gedaald en hopelijk kregen zij hulp via de katholieke kerk 'de Posthoorn'. Overigens maximaal Fl. 2,50 per week! Het pas geboren mannetje werd ook besmet met de tuberkel bacil en stierf slechts 2 jaar oud aan dezelfde ziekte. De 41-jarige weduwe Alida bleef achter met de 7-jarige Marie en de twee kwajongens van respectievelijk 5 en 3 jaar oud, die overigens allen de achternaam van Wereld droegen. Moeder Alida zou de kost verdienen als werk- en wasvrouw en bleef in de Jordaan wonen. Van de kerk kreeg zij voortaan als weduwe vier gulden plus één roggebrood per maand. Van de gemeente - royaler dan de kerk - kreeg ze één gulden en één roggebrood per week. Verder nog een gulden van de Vereeniging Liefdadigheid naar Vermogen. Daar moest ze het mee doen. En dan was zij er nog niet eens het slechtst aan toe.

Twintigduizend mensen woonden in kelders, onder de grond! Verlichte burgers wilden die slechte woonsituatie van de arbeidende klasse wel verbeteren, maar het bleef vooralsnog bij enkele initiatieven. Zo bouwde architect P.J. Hamer reeds tussen 1854 en '56 in de Westerstraat rug-aan-rugwoningen met een-, twee- en driekamerwoningen voor de Vereeniging ten Behoeve van de Arbeidende Klasse. De driekamerwoningen moesten al spoedig gesplitst worden, omdat niemand de huur kon betalen! Overigens zouden twee kleinzoons later zo’n ‘moderne’ woning huren.

Na het twaalfde levensjaar werd er voor hen een baantje gezocht en de meeste kinderen belandden in de fabrieken. Het lijkt erop dat Alida wellicht met hulp van haar broers, blikslagers en
schuitevoerders iets betere baantjes wist te regelen. Het kinderwetje van ‘van Houten', die kinderarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar verbood, kwam er pas in 1874; En pas in 1900 kwam er de leerplichtwet. Kinderen van 6 tot 12 jaar, moesten onderwijs gaan volgen. Of de drie kinderen ooit lang naar school zijn geweest valt te betwijfelen. Ze konden op hun achttiende zelfs hun handtekening nauwelijks zetten, terwijl hun groot- en overgrootouders dat wel met zwierige draaien konden. Wellicht kwam dat ook wel door moeder, die zelf haar hele leven analfabeet was; “het schrijven niet geleerd hebbende”. Later zullen de jongens iets meer schrijfervaring tonen.

Dochter Marie zou vanaf haar zestiende jaar (1872) tot aan haar huwelijk als inwonende dienstbode werken bij diverse families. In dec.1872 verhuisde moeder met haar twee zoons naar de Boomstraat 32, gelegen tussen de 1e Goudsbloemdwarsstraat bij de Noordermarkt en de Palmdwarsstraat, evenwijdig aan Linden- en Westerstraat. Ruim drie jaar later (feb.1876) werd het adres – voor moeder en zoons – de Bloemstraat 104. Dat bij nader inzien opnieuw een nauwe donkere gang blijkt te zijn. Gesitueerd achter de Bloemstraat noordzijde, t
ussen de nummers 98 en 106 lag No.104 in de Zijdewormengang (alias Zijdewormsgang).

Eén van de vele rapportages over arbeiderswoningen, opgesteld ter voorbereiding op de nog te ontwikkelen woningbouwwet van 1901, is onderstaande uit 1866. De inspecteur schreef over het blok waar Alida met haar drie kinderen woonde: "Men ziet talloze gangen en binnenpleintjes, waartoe veelal een poortje in de hoofdstraat toegang geeft. Is men zo'n gang binnengetreden dan gaat het schier geklemd tussen twee zwarte muren voort tot men op een tweede gang stuit, even smal. De vuile muren zijn aan een of aan beide zijden vol deuren en vensters met ook 's middags daarachter een brandend petroleumlampje. Treedt men de lage deur - vaak niet breder dan zo'n halve meter - van een gelijkvloerse woning binnen, dan staat men meteen midden in het vertrek”.

In oktober 1876 meldde 18-jarige zoon Johannes T. zich vrijwillig voor zes jaar als rekruut in garnizoen te Amsterdam. Twee jaar later was hij opgeklommen tot Huzaar in garnizoen te Haarlem. Daar werd hij echter veroordeeld voor diefstal en belandde op 11 mei 1878 voor twee jaar in de cel, een aartje naar zijn vaartje dus!
 
Thuis in de
Zijdewormengang werd moeder Alida voor de zoveelste maal ziek en werd op 17 nov.1876 voor 22 dagen opgenomen in het Binnen Gasthuis. Het patiëntenregister vermeldt haar als 52-jarige weduwe, werkster van beroep, met drie thuis wonende kinderen in één kamer Bloemstraat (buurt DD) 104. Door armoe en ellendige woonomstandigheden kwam ook zoon Herman op 9 maart ’77 voor acht dagen in het Buitengasthuis terecht.
Brave Herman werd schoenmaker en ging op 10 mei 1880 voor zijn nummer vijf jaar het leger in en zou daarna weer bij moeder thuis wonen en korte tijd als borstelmaker de kost verdienen.

Dochter Marie trouwde eind 1880 met een keurige brievenbesteller. Er kwamen geen kindjes, wel zou zij eenmaal in 1886 een buitenbaarmoedelijke zwangerschap krijgen, gevolgd door bijna een maand ziekenhuisopname. Marie zou kinderloos en als weduwe op 83-jarige leeftijd sterven in het Rooms-katholieke gesticht Sint Jacob aan de Plantage Middenlaan.

En ook Johannes T. zou als 24-jarige besteller netjes trouwen met een
30-jarige tapster en weduwvrouw en vlakbij moeder aan de Rozengracht gaan wonen. Hij kreeg twee zoons en een dochter. In 1904 was hij Koffiehuishouder aan de Haarlemmerdijk 22 en in 1910 aan de Nassaukade 23. Vanaf 1922 staat hij vermeld als Tapper en caféhouder met vergunning aan de Prinsengracht 48 (samen met z’n gelijknamige oudste zoon), met de voor de hand liggende wereldse naam 'WERELD CAFE'. Inmiddels was hij toen hertrouwde weduwnaar en was alleen zijn oudste zoon nog in leven.

Moeder Alida zou bij leven drie kleinkinderen krijgen (van de totaal negen) en bracht haar laatste vier levensjaren door bij zoon Herman, wonend aan de Blauwburgwal 3 (onder). Op 14 feb.1891 werd ze vanwege een chronische nieraandoening nog voor 39 dagen in het Binnen Gasthuis opgenomen. Zij stierf acht dagen na ontslag, 66 jaar oud, op vrijdag 3 april 1891 des namiddags ten tien ure in het huis staande Nieuwe Lelystraat No.13, wonende Blauwburgwal 3. Herman liet de uitvaart en aangifte regelen door aansprekers Dippel. 

LEES MEER over het leven van Simon en Alida in de Jordaan, halverwege de 19e eeuw.

 

Generatie 5 ( betovergrootouders )



Henrij [Hendrik / Henri(cus)] van Weerelt, ged. Oosterhout 11 febr. 1765, steenbakker, pottenbakker, Oosterhout 26 sept. 1833, begr. Oosterhout, in t Bosch, tr. Oosterhout 22 nov. 1812 Maria Elisabeth [Marie] van Poppel, ged. Gilze en Rijen 28 juli 1777, Oosterhout 24 okt. 1828, dr. van Guillelmus Cornelis [Guiliemi, Guliam] en Gertrudis Johannesdr [Geertruij] Couwenbergh.

Uit dit huwelijk:
1. Maria van Weereld, geb. Oosterhout 19 aug. 1814, steenbakkeresse, Oosterhout 2 april 1890, tr. 1e Oosterhout 15 jan. 1835 Christofphel van Berkel, geb. Oosterhout 8 dec. 1811, steenbakker en bouwman, Oosterhout 29 febr. 1836, zn. van Gerardus van Berkel, en Maria van Dongen; tr. 2e Oosterhout 6 juli 1837 Andries Willem Oomen, geb. Oosterhout 3 jan. 1810, steenbakker en bouwman, Oosterhout 25 april 1883, zn. van Andreas Joannes en Adriana Maria van der Locht.
2. Simon, zie IV.
3. Johannes van Weerelt, geb. Oosterhout 10 maart 1817, na 1837.
4. Jacobus van Weerelt, geb. Oosterhout 26 aug. 1818, arbeider, koopman, Rotterdam, Wonende te Oosterhout 30 april 1866, tr. Oosterhout 28 okt. 1844 Elisabeth Castelijns, geb. Oosterhout 16 juli 1821, ald. 8 maart 1892, dr. van Arnoldus en Allegonda Janssen.

 Naamsverandering! Hendrik wordt geboren als 8e kind van de negen in Oosterhout, waarvan er vijf als baby of jong kind overlijden. Hij en zijn jongere broer Simon krijgen de achternaam ‘van Werelt’, de anderen ‘van Weerelt’.  

Hendrik trouwde pas op 47 jarige leeftijd in 1812 te Oosterhout met de 34 jarige Marie van Poppel, uit Gilze. Hij verdiende, afhankelijk van het seizoen, de kost als steenbakker en pottenbakker. Ze kregen ondanks hun leeftijd tussen 1814 en 1818 nog vier kinderen. Het gezin woonde in het Rutselbosch, een bosgebied juist ten noorden van de  St.Jan van Oosterhout. Toen de jongste krap 10 jaar oud was, overleed moeder Marie. Vijf jaar later maakte Hendrik op vrijdag 11 januari 1833, zijn testament. Hij overleed nog hetzelfde jaar op donderdag 26 september, 68 jaar oud. Hij werd begraven in ´t Bosch. Getuigen bij overlijdensaangifte zijn, Gijsbertus Akkermans (31) en Andries Huijbert Oomen (56) steenbakkers geburen.

Op verzoek van Gerardus Peter van Poppel, bierbrouwer, wonende te Gilze, in hoedanigheid van voogd over de minderjarige kinderen van wijlen Hendrik van Werelt en Marie van Poppel “blijkens de Akte van uiterste wils beschikkingen, werd op 10 oktober 1833 ten huize van wijlen Hendrik van Weereldt in het Bosch alhier, publiek aan de meestbiedenden opgeveild en verkogt een partij haaf en meubilaire goederen, waar onder geen goud of zilver is”. Aldus een citaat uit een enorme lijst, van ruim 3 pagina’s, waarop nauwkeurig ’t geveilde huisraad en de uiteindelijke opbrengst van Fl.555,45 is vermeld. Aan de hand van deze boedellijst en enige fantasie krijgen we een aardige indruk over de inrichting van hun huis en hun kleine persoonlijke voorkeuren.

Reconstructie
Gezien de verkochte ‘Paarden stregen’ was het gezin ooit in ’t bezit van een paard of gebruikten ze hun koe als trekdier. Voor de melk, boter en kaas hielden ze een Bonte koebeest en een Vaars. Daarnaast bewerkten ze een stukje land, waarop ook mais en vlas verbouwd werd. De daarvoor benodigde gereedschappen, zoals een Ploeg en IJzeren egt,  een voorraadje mais en vlas, de Melkton, Boterbak, Kaarn en meerdere Boterpotten getuigen daarvan.
Vermoedelijk ook buiten op ’t erf, een Vogelkooi en een Kakstoel. Naast het erf, een kleine boomgaard met 4 Kerse bomen en 40 kanadas boomen [Canadese populieren], omringd door 62 willegen boomen, Eenen essenboom en 2 eike boomen. De 3 Linde boomen, zo kan ik me voorstellen stonden voor of naast het huis.

In de huiskamer stonden een Kachel, ‘n Kabinet, een tafel met 6 stoelen en één zetelstoel, onder de tafel één van de vijf stoven. Langs een wand een glazen kast, met 6 bierglazen, 1 Tinne bierkan en een Tinnen schotel. De trots van het huis, was vast en zeker de ‘Vriese’ klok en de 6 schilderijen aan de muur.
Een tabakskist op ’t bureau, naast Twee presentie doosjes,  laat ons denken dat Hendrik pruimde of rookte. In een hoek van de kamer, een Spinnenwiel en voor het raam Drie bloembakjes. De kamer werd verlicht door twee Koperen lampen en een Tafel bel doet vermoeden dat er huishoudelijke hulp aanwezig was. Op ‘t Kabinet stonden een Gispbeeldje en Zes porceleine mannetjes.

In de keuken ook nog een tafel met 6 stoelen, 3 waskuipen, 12 aarden potten, een blikken theeblad met een uitgebreid porceleine theeservies, ‘n Chokolade ketel, een Koperen theeketel en 2 Blikken koffijkannen. In de servieskast stonden 17 porceleine borden, 6 witte boterschoteltjes en 1 Witte kom, 1 Porceleine soeptarien en 4 kommen, 1 Olij en azijn stel en een Koperen vijsel. Bij het vuur afgedekt door een ijzeren plaat, hing een Koekpan aan een hangijzer. Daarnaast wellicht een korf met haardhout. Aan de muur hing een Koperen beddenpan.

Zie je ’t ook voor je? Dat huisje daar in ’t Brabantse Oosterhout?

Generatie 6 ( oudouders )

Simon Adriaan van Werl (Weerelt), ged. Oosterhout 8 nov. 1736, Schoenmaker, Oosterhout 3 febr. 1783, tr. 24 aug. 1760 Maria (Marie) Schoenmaekers, ged. Loon op Zand 7 febr. 1741, steenbakkeresse, Oosterhout 15 dec. 1819, dr. van Nicolaas Adriaan (Claas) Schoenmaakers en Maria Cornelisse (Marike) Smits.

Uit dit huwelijk:
1. Adrianus van de Wereld, ged. Oosterhout okt. 1761, ald. 5 jan. 1762.
2. Nicolaus Henricus van Weerelt, ged. Oosterhout 28 juli 1762, ald. 3 aug. 1762.
3. Lucia Maria van Weerelt, ged. Oosterhout 25 sept. 1763, ald. 15 sept. 1824, tr. Gerard Janssens.
4. Henrij [Hendrik / Henri(cus)], zie V.
5. Adrianus van Wereld (Weerelt), ged. Oosterhout 10 dec. 1766, ald. 9 febr. 1827, tr. Cornelia Jacobs.
6. Nicolaus Simonis van Werelt, ged. Oosterhout 26 juli 1768.
7. Catharina van Werelt, ged. Oosterhout 29 jan. 1770, ald. 3 nov. 1770.
8. Wilhelmus Simonis van Werelt, ged. Oosterhout 13 juni 1771, begr. ald. 16 april 1789.
9. Petrus Simons van Werelt, ged. Oosterhout 30 sept. 1772, begr. ald. 3 nov. 1795.
10. Maria Catharina van Weerelt, ged. Oosterhout 23 mei 1774, ald. 7 jan. 1776.
11. Zoon, ged. Oosterhout 4 nov. 1775, vóór 1777.
12. Lucas Simons van Werelt, ged. Oosterhout 18 jan. 1777.
13. Joanna Simons van Werelt, ged. Oosterhout 20 dec. 1777.
14. Simon Simons van Werelt, ged. Oosterhout 28 okt. 1778.
15. Wilhelma (Wilhelmina) van Werelt, ged. Oosterhout 20 nov. 1779, ald. 2 maart 1816.
16. Joannes van Werelt, ged. Oosterhout 31 okt. 1780, ald. 21 aug. 1781.
17. Petronilla Adriana van Werelt, ged. Oosterhout 21 nov. 1781, ald. 27 nov. 1843.

Generatie 7 (oudgrootouders)

Adrianus (Ariaen Willems) Weerelt, ged. Oosterhout 12 sept. 1706, Mr.Schoenmaker en Koster der RK Kerkschuur te Oosterhout, Oosterhout 24 nov. 1741, tr. Oosterhout 15 april 1731 Catharina Cornelis van Loon, ged. Oosterhout 6 sept. 1705, ald. 17 maart 1788, dr. van Cornelis.

Uit dit huwelijk:
1. Wilhelmus van Werl, ged. Oosterhout 8 febr. 1732, ald. 10 febr. 1732.
2. Cornelius van Werl, ged. Oosterhout 6 febr. 1733, ald. 26 dec. 1800, tr. Maria Martina van Gils, Oosterhout 20 april 1790.
3. Guilielmus Adriani van Werl, ged. Oosterhout 20 juli 1734.
4. Simon Adriaan, zie volgt VI.
5. Henricus Adriani van Werl, ged. Oosterhout 10 sept. 1738, ald. 24 juni 1739.
6. Maria Adriani van Werl, ged. Oosterhout 26 maart 1740.
7. Hendricus Adriani van Werl, ged. Oosterhout 30 nov. 1741.
8. Anne Ariaens van Weerelt, geb. Oosterhout 1742, ald. 25 maart 1813.

Ariaen en Catharina krijgen voor zover bekend acht kinderen, waarvan er minstens twee jong sterven, namelijk op 10 februari 1732 en op 24 juni 1739. Zij krijgen de naam van Weerelt, de anderen van Werl

Vader Ariaen wordt ook niet oud en zo blijft moeder Catrina hoogzwanger achter en bevalt een week later van haar jongste zoon. Zij hertrouwt niet, gezien de opmerking in het Begraafboek van Oosterhout; Begraven Catrina van Loon, weduwe van Adrianus van Werelt.

Generatie 8 ( oudovergrootouders )

Guilielmus Hillebrandus van Werle, ged. Oosterhout 23 okt. 1670, schoolmeester en koster te Oosterhout, vóór 1762, tr. Oosterhout 15 dec. 1705 Catharina Simonse Broeders (Broederen), ged. Dongen omstr. 1681, Oosterhout 2 april 1762, dr. van Sijmon Gijsbrecht Broeders en Maria Peter Jan Stevens.

Uit dit huwelijk:
1. Barbara van Werl, tr. Adriaan de Croon.
2. Wilhelma van Werl.
3. Willem van Werelt, Oosterhout 16 april 1789.
4. Ida van Werelt, tr. Eindhoven 3 okt. 1734 Michael van der Sande.
5. Casparus Werelts, tr. Ludovica Sissoo.
6. Adrianus (Ariaen Willems), zie VII.

Naamsverandering:
Zij gingen op vrijdag 30 oktober 1705 in Oosterhout in ondertrouw en kregen voor zover bekend zes kinderen. De twee meisjes Barbara en Wilhelma droegen de achternaam van Werl. Zoon Willem, werd van Werelt genoemd evenals dochter Ida, zoon Casparus kreeg de wereldse naam Werelts en Adriaan zou verder door het leven gaan als van Weerelt.


Generatie 9 ( oudbetovergrootouders )

Hillebrandus Guilielmi van Werl, geb. omstr. 1643, Oosterhout vóór 1732, tr. 1e Antoinette (Tunken) Hendricks Hechters (Hichters), Oosterhout omstr. 15 mei 1669, dr. van Hendrick Hechters; tr. 2e Oosterhout 29 dec. 1669 Adriana Willems (Adriaantje) Postelers (Postelaers), ged. Breda 1 sept. 1649, Oosterhout vóór 7 mei 1689, dr. van Wilhelmus Adriaans (Willem) Postelers en Josina Henricx van der Heijden; tr. 3e Oosterhout 23 mei 1689 Helena (Matehi Arnoldi) Volders, geb. 1651, begr. Oosterhout 28 juni 1732, dr. van Matehi Arnoldi.

Uit het eerste huwelijk:
1. Nicolaus Helebrant van Werle, ged. Oosterhout 15 mei 1669.

Uit het tweede huwelijk:
2. Guilielmus Hillebrandus, zie VIII.
3. Elisabeth van Werl, ged. Oosterhout 5 okt. 1671.
4. Elisabetha van Werl (Wereld), ged. Oosterhout 21 febr. 1676, vóór 11 jan. 1715, tr. Oosterhout 15 nov. 1705 Cornelis Janz van Oosterhout.
5. Henricus Hillebrant van Werel, ged. Oosterhout 12 febr. 1678.
6. Gerardus ver Werelt, ged. Oosterhout 9 mei 1680.
7. Adrianus Hillebrandus van Werrel, ged. Oosterhout 3 april 1682, koster der RK Schuurkerk te Oosterhout, begr. Oosterhout 14 sept. 1768, tr. N.N.  begr. Oosterhout 1 sept. 1733.
8. Joannes Hillebrandus (Jan) van Werrel, ged. Oosterhout 15 aug. 1684, ald. 31 mei 1745.
9. Justina van Werrel, ged. Oosterhout 4 mei 1687.

Uit het derde huwelijk:
10. Mattheus van Weerelt, ged. Oosterhout 4 febr. 1690.
11. Gerardus Hillebrandus van Werle, ged. Oosterhout 17 okt. 1691.

Uit de relatie met Antoinette werd één zoon geboren, genaamd Nicolaus van Werle. Hij is gedoopt op woensdag 15 mei 1669 in Oosterhout. Doopgetuigen Nicolaus Hendricks en Adriana Wouters. Vader als Helebrant Willems van Werle, Moeder als Tunken Henricks Hechters.

Tussen 1676 en 1706 is Hillebrand van Werle getuige bij ongeveer eenderde van alle huwelijken in Oosterhout (zie Register 20, RK akten van ondertrouw en trouw 1676-1706, Oosterhout). Dit gegeven zou kunnen duiden op een functie als koster of schoolmeester, evenals zijn zoon Guilielmus Hillebrandus later vervulde.
Rond 1670 woonde het gezin in de Middelwijck te Oosterhout. Adriaantje en Hillebrand kregen voor zover bekend zes kinderen tussen 1670 en 1687. Drie van hen werden volwassen. Vader werd genoteerd met zeven verschillend gespelde achternamen:

1670 - Hillebrandus van Werle - bij doop zoon Guiilielmus
1676 - Hellebrandus Guilielmi van Werl - bij doop dochter Elisabetha
1678 - Hillebrant van Werel - bij doop zoon Henricus
1680 - Hillebrandus Guilielmi ver Werelt - bij doop zoon Gerardus
1682 - Hillebrandus (Guilielmi) van Werrel - bij doop zoon Adrianus
1684 - Hillebrant van Werelt - Peter op zaterdag 4 november 1684 Breda
1690 - Hillebrandus Guilielmi van Weerelt - bij aangifte zoon Matheus


Generatie 10 ( stamouders )

Wilhelmus Werl, geboren in 1610 in Mogelijk te Werl, Duitsland.

Voor deze familiegeschiedenis ben ik schatplichtig aan:

 Piet van Weereld 

laatste aanpassingen zijn toegevoegd op 30 mei 2015